is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij zichzelf, „het heeft een goede pers, de menschen vinden het mooi, jij hoort het dus ook mooi te vinden." Hij bladert de roman nog 's door. Zijn gedachten dwalen af. „Houen ze nou stille tijd?", denkt hij, „er komt immers een Bijbel aan te pas? Nou, dat is toch iets absurds, de Bijbel en Anne-Cris?, ik — en de Bijbel! Wat zit daar in onze kring eigenlijk voor bijklank aan vast? Als je in de Hollandsche literatuur iets over de Bijbel aantreft, is dat meestal synoniem met burgerjuffrouw. Wie van ons weet waar je wezen moet — in de Bijbel, om nog iets begrijpelijks aan te treffen?" Hij staat op en schuift de gordijnen van zijn boekenkast opzij. Hij heeft daar nog van alles: Shakespeare, Goethe, Schiller, de Pensee's van Pascal, een volledige Multatuli, Keats en Shelly — Racine — Molière — maar de Bijbel niet. Halsstarrig zoekt hij de eene plank na de andere af — maar de Bijbel is er niet. Een oogenblik staat hij zich te bezinnen. „Hebben wij wel ooit een Bijbel gehad? Nee, wat moesten wij met een Bijbel doen? En die van Vader dan? Die zal Moeder wel hebben, op zoo'n oue-dames-hofje — och ja." Hij denkt ook weer: „Waar zouen ze nou over dazen, bij Crijna . . .?" Hij hoort Anne-Cris praten — laconiek — uitdagend . . . Hij bijt hard in de kerf van zijn pijp. „Zou die apathische bijslaap van jaren her, ook nog ter sprake komen?, en die wijn-coïtus van nu . . .? Dat kom je nooit te weten, natuurlijk. En ook niet wat er geweest is — indertijd . . . Maar je kan nu al wel met groote zekerheid weten, hoe ze thuis komt vanavond laat: teruggetrokken, afwerend, ontwijkend. „Taco, wil je me alsjeblieft tijd geven?" Hij vloekt.