is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vaak is hij toch in zijn slaap dicht bij haar — die nacht. Hij kan zijn hand verlangend naar haar uitsteken. „Och, Anne-Cris . . Ze kunnen ook arm in arm door het dennenbosch van Born loopen. Hij kan voor de tweede keer een huwelijksreis met Anne-Cris maken. Dan ontwaakt hij. En zijn glimlach verandert. AnneCris ligt ook al wakker. En ze heeft dat zelfde strakke in zichzelf gekeerde gezicht van gisteravond. „Weet ze al met wie ze zal deelen?" Zijn gedachten gaan ook naar de komende dag uit. „Wanneer zal Cobie in de Prinsenstraat opduiken?, vanmorgen?, of eerst in de middag?" Hij pinkt hevig, hij schaamt zich voor Taco Solwerda. „Dat verdomde wachten", denkt hij verbeten.

Cobie is al tijdig op het kantoor bij hem. „Gisteravond bij Crijna — dat is me toch tegengevallen. Ze kwamen niet los, geen van allen. Maar er is toch wat bij, dat vat op je krijgt, ondanks je verzet. Je krijgt het gevoel of je je zelf vast moet houen. Er is iets bij dat je aandrijft. Eigenlijk schrok ik er van — van dat gevoel." Ze denkt er over na. Telkens is er even een stilte. Haar blik glijdt over Taco heen, over zijn breed gezicht, zijn zwarte oogen, zijn haar, zijn handen. En dan lijkt ze te wachten. Taco merkt het wel. Hij denkt: „Wachten alle menschen dan?" Hij glimlacht tegen de sneeuwklokjes, die ze voor hem meegenomen heeft, tegen haar smalle meisjesrug, haar goud-rood haar, haar bijna alte-blanke huid. „Ruikt ze naar lindebloesem?, kan dat?, of ruiken voorj aars viooltjes zoo?" Soms tasten zijn vingers heimelijk naar een hartje van rood agaatsteen in zijn vestjeszak. „Wie moet dat hebben?"

Als tusschen waken en droomen in, doet hij zijn werk.