Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZUIDERZEERAAD.

Bericht op schrijven van 29 December 1920, No. 264 Afd. Waterstaat T en 15 Januari 1921 No. 260 Afd. Waterstaat T.

’s-GRAVENHAGE, 28 April 1921.

Betreffende: artikelen Mr. v. Gijn inde „Haagsche Post” betreffende de droogmaking der Zuiderzee.

Bij Uwer Excellentie’s eerstvermelde missive werd het advies van den Zuiderzeeraad verlangd omtrent een artikel door Mr. Dr. Ant. van Gijn geschreven inde „Haagsche Post” van 18 December 1920, en getiteld: „Droogmaking der Zuiderzee. Zij zal kosten 2120 millioen. Zij zal een verlies opleveren van 924 millioen.” Bij de volgende missive verzocht U.E. in dat advies te willen betrekken de nadere beschouwingen, waarmede Mr. VAN Gijn zijn artikel heeft aangevuld inde „Haagsche Post” van 8 Januari 1921 onder den titel: „Nog eens de Zuiderzee-droogmaking. De Waarde van den afsluitdijk.”

De korte inhoud van deze artikelen is de volgende: Inde eerste plaats wijst de schrijver op de daling van de koopkracht van het geld. Hij meent echter dat deze omstandigheid voor de beoordeeling van de rentabiliteit van de droogmaking niet de belangrijkste is, omdat als de koopkracht van het geld op den duur ongeveer half zoo groot blijft als zij in 1916 was, de verdubbeling der uitgaven wordt gecompenseerd door de verdubbeling der inkomsten. Inde tweede en voornaamste plaats echter meent de schrijver dat niet meer kan worden uitgegaan, gelijk de Memorie van Toelichting deed, vaneen reëele kapitaalrente van 41/2 %. Volgens den Heer van Gijn „werd de kapitaalschaarschte tengevolge van ontzettende kapitaalvernietiging (minder productie en meer verbruik) sedert dien veel ernstiger en kwam zij niettegenstaande pogingen om haar door lage bankdisconto’s te camoufleeren, ook steeds meer tot uiting”. Schrijver vermoedt, dat wij een kapitaalrente van 7 °/0 wel een serie van jaren zullen behouden en schrijft daaromtrent het volgende: „Het is bezwaarlijk te zeggen, of in het tijdperk van 35 jaar, waarmede wij te rekenen hebben, de rentevoet steeds zoo hoog zal blijven; daarentegen moeten wij

echter voor de eerstvolgende jaren als de teekenen niet bedriegen, wel met een rente van 8 en meer procent rekening houden, zoodat een becijfering op de basis van 7 °/0 niet als pessimistisch is te beschouwen.” Uitgaande van deze verhoogde kapitaalrente komt de Heer van Gijn in zijn eerste artikel tot de navolgende berekening (waarbij de Raad uitgaat van de bestaande ramingen, en dus de telkens door den Heer van Gijn toegepaste verdubbeling, wegens verminderde koopkracht van het geld buiten bespreking laat).

De kosten der werken ad f 222 millioen zullen aan het einde van het 35ste jaar als alles gereed is, met rente op rente bij een rentevoet van 7 % zijn gestegen tot f 1060 millioen. De alsdan reeds ontvangen pachtsommen zullen met rente op rente op dat tijdstip een kapitaal vertegenwoordigen van f 310 millioen. De vanaf het 36ste jaar te ontvangen pachtsommen ad ƒ 15.537.600.— vertegenwoordigen bij dien rentevoet een kapitaal van f 221.950.000.—, zoödat er een tekort zal zijn van f 529 millioen. Van dit tekort wil de Heer van Gijn nog aftrekken: I°. de krachtens art. 4 lid 2 der Wet gekweekte reserve door storting in het Zuiderzeefonds van f 2 millioen ’sjaars gedurende de eerste 14 jaar, welke reserve aan het einde van het 35ste jaar een waarde zal vertegenwoordigen van f 178 millioen.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1237 3977

Sluiten