is toegevoegd aan je favorieten.

Eindexamens der Hoogere Burgerscholen, 1866-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HV. en B.

1885. No. 2.

Een lichaam wordt aan 't boveneind van een hellend vlak losgelaten en glijdt naar beneden. Op 't midden van het hellend vlak wordt door een stoot zijn snelheid plotseling vermeerderd met 3.4 M. Aan het ondereind van een hellend vlak gekomen, zet het tengevolge der verkregen snelheid en onder de werking der zwaartekracht zijne beweging voort, totdat het na drie seconden den horizontalen grond bereikt. Nu wordt gevraagd te berekenen:

a■ den duur der beweging;

b. hoever het ondereind van het hel'end vlak boven den grond is;

c. in welk punt het lichaam den grond bereikt; cl. de eindsnelheid;

e. het arbeidsvermogen van beweging, dat het lichaam aan het eind van zijne baan bezit (uitgedrukt in dynamische eenheden).

Gegeven zijn: lengte van liet hellend vlak 8.2 M.; hoogte van het hellend vlak 1.8 M.; gewicht van het lichaam 205 K.G.; g = 9.8 M.; wrijvingscoëfficient 1 5.

Het lichaam wordt zonder beginsnelheid in B (zie figuur) losgelaten en beweegt zich langs het hellend vlak BA tot het in het midden M van het hellend vlak gekomen is. In dit punt M wordt de snelheid plotseling met 3.4 M. per " vermeerderd, het lichaam beweegt zich verder langs liet hellend vlak van M naar het ondereind A van dat vlak en zet tengevolge van de snelheid, welke het in A bezit, en onder de werking van de zwaartekracht zijne beweging voort, doorloopt in 3 seconden den paraboolboog AE en bereikt in E den horizontalen grond EF.

De geheele duur der beweging, d. i. de tijd welken het lichaam noodig heeft om van het beginpunt zijner beweging B te komen iu het punt E, waar het den grond bereikt, is te verdeelen in drieën, nl. Ie den tijd J be-