is toegevoegd aan je favorieten.

Noord-Hollandsche menschen en dingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl onder dat alles een vriendelijke stem vraagt naar haar kinderen, naar haar man, naar haar nachtrust, naar haar eetlust, naar wat niet al.

Middelerwijl de liefdezuster haar van water drijvenden mantel weder aantrekt, grabbelt de arme vrouw naast het ledekant onder haar zakdoek. Een klein, grof fleschje met eau-de-cologne brengt zij te voorschijn. Zij reikt het met de uitgemergelde hand aan haar dagelijksche verzorgster toe.

„Zuster, alstublieft."

De liefdezuster krijgt er een kleur van. „O, juffrouw, dat had u niet mogen doen".

„Toe, zuster!" dringt de zieke aan. „Het is maar een fleschje van vijftien cents. Mijn man heeft er twee weken niet voor gerookt; zoodoende kost het ons eigenlijk niets. Als u het nu niet aannam ....

„Zeker, zeker neem ik het aan, zegt de liefdezuster haastig. „O, dank u wel, dank u wel!" Als zij de hut uitgaat, is zij nóg weer iets natter dan toen zij erin kwam; want nu zijn haar oogen ook nat.

De schemer van den vroegen winteravond vult de kamer der liefdezuster reeds, wanneer zij na volbrachte dagtaak thuiskomt. Haar middagmaal wordt binnengebracht. Zij zal nog maar wat wachten met het te gebruiken; zij is nog te moe. Zelfs nog maar wat wachten met de druipende kleederen te verwisselen. Een oogenblik in een stoel neervallen is de allereerste behoefte. Dat een plasje zich onder haar voeten op den grond vormt, ziet, en dat haar