Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IK E N G IJ. tb^

Wanneer gij mij om iets vraagt, dan befchouw ik u, in den geest, dat wil zeggen, in waarheid, niet in het vleesch, dat is, in dwaaling, in leu.» gen en in vooroordeel.

Mijne vezels zwellen door eene inwendige kragt, en mijne gezigtzenuwen zetten zig uit, Mij dunkt er valt een grof bekleedzel van elk • lighaam. Veel word er zienlijk voor mij, het welk anders onzigtbaar was. Zelf de donkerfte nagt word helder: want deeze is flegts donkeE. met betrekking tot ons zintuiglijk geitel. Alle: voorwerpen fchilderen zig duidlijk in mijne zief af. Alle mijne denkbeelden zijn waarheid, want zij zijn de zaaken zelf. ;

Er zijn twee ftroomen in de lugt, die beider* verwonderlijk zijn, volgens hunne natuur. Zij onderfcheiden zig van elkander even gelijk water en olie zig van elkander onderfcheiden, welken zig nooit onder één vermengen.

De een deezer ftroomen overtreft in zuiverheid:, het kristal, en is met het zonlicht op den hoogen middag te vergelijken. De tweede is vaneen bleeke kleur en helt naar het blaauwe.

Deeze twee ftroomen zijn wel in hun weezen elkander gelijk, doch in hunne wijzingen verfchillende.

De zuivere ftroom fchijnt van de zon af nederwaards te daalen. Hij ftroomt allerheerlijkst in de Lente en in den Zomer. Een uur voor, en drie uuren na den middag, is zijne werking op het fterkfte.

De tweede ftroomt va» de aarde, opwaards

Sluiten