Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 34 3

wyk, zeide hij, terwijl hij dat boek opgeflagen op de tafel lag, „ ei lieve lees mij die kleine fabel eens voor."

Ladewijk nam het boek, en las, het volgende fiukjen. —

Het Seisje.

De Nachtegaal en 't Seisje hingen

Foor Damons yenjler, naast elkaar. De Nachtegaal begon te zingen.

Zijn zang verdoofde fluit en fnaar. Een vrolijk jongsken, dat zijn oogen%

Op 't hooren van dien fchelien toont Naar loven floeg, riep opgetogen,

Och wie van beiden zingt zo fchoon? O Vader t wondt gij mij vergunnen

Dien Vogel van nabij te zien ? Hoe zou 't hem Damon weigren kunnen?

HU zet de k->oitjens op de knién. Hier, fpreekt hij, zijn ze: laat ons hooren ?

Wie van dees' twee, indien gij 't weet% Do» 't zoet gezang U kon bekooren !

Hy vraagt, en 't antwoord is gereed. Zou 't luchtig knaapje zich yerfchooncnl

Neen! 't wijst op 't Seisje, en zegt: gewis* Die fchoon gekleurde veders toonen

Dat dit de milde Zanger is. Min kan aan 's andren yaale vlerken

Ën plubn, die glans heeft nochfiersai,

VoêT*

Sluiten