Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 37 )

en mijne Zuster en ik moesten gaan dienen, om de kost te hebben. Wij hebben ook geene naabeftaanden; — doch mijn naam is Harnischl

Leerm. en Karei (gelijktijdig, en met ver. v/ondering) Harnischï - De Leermeester gaf hier

aan Karei een wenk, dat hij zwijgen moest,

dit viel hem moeilijk, _ zijn gelaat tekende groote blijdfchap. Vol -vreugd fprong hij rondom dien armen man, die niet wist, wat hij daar aan hadt, dat Karei in een oogenblik zo opgetogen van blijdfchap was. - Dit zal u, lieve kleine lezers, ook verwonderen; - Gij denkt welligt, wat kon dat Karei fcheelen , of die man Harnkch of anders heette. Ik zal u daarom vooraf de reden van deze verwondering en blijdfchap zeggen.

De Vader van Karei was in het jaar 1162 Ka. pitein bij dat zelfde Regiment, en Hamisch was Soldaat in zijne Compagnie, - Gij weet toch wel, dat de manfchappen, welke te 'famen van een Kapitein worden gecommandeerd, een Compagnie genoemd worden. - ln dit jaar wierdt dit Regi.

ment biï M een Dorp in Saxen, op 't onver.

wachst aangetast, en deerlijk geflagen. De Kapi. tein van J.... kreeg twee wonden, eene in zijne' knie, de andere in den borst. — Bij de laatfte viel hij achter over op den grond. Hamisch, zijn Kapitein ziende vallen, wierp zich boven op hem, ^ 3 juist

Sluiten