Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 56 >

is waar, wanneer de een of ander, die dit leest; reeds befmet is, met diedwaaze vrees voor fpooken, dan zal hij misfchien, onder het lezen der volgende verhaalen , wel eens wat benaauwd worden. Maar wanneer hij dan van achteren het einde, en den afloop van alle deze dingen ziet, dan lacht hij, waarfchijnlijk, over zijne eigen dwaasheid, en bange vrees, en neemt, welligt, het befluit, om zich nooit wederom te laten verfchrikken of bevreesd maaken door diergelijke verhaalen of voorvallen, maar liever eerst het einde derzei ve afte. wachten. — Gelukkig hij, die van deze dwaaze vrees geheel bevrijd is; bij kan altijd gerust en vrolijk zijn, wanneer anderen door vrees en angst genepen worden. Ja hoe meenig een maakte zich niet voor al zijn leven ongelukkig, omdat hij zo onnozel was , van geen gehoor te geven, aan de onderwijzingen van verftandige menfchen, welke hem zochten onder het oog te brengen, dat er geen fpooken zijn , en dat hij dus geen vrees voor de» zelve behoefde te hebben. ' Doch ik kom tot mijn verhaal,

Conftaniijn en Ftederik waren broeders, de eerfle van negen , de andere van acht jaaren oud. Hoe Wel Ftederik de jongfte was, overtrof hij zijn broeder in neer dan een opsigt, vooral ook daar¬

in?

Sluiten