is toegevoegd aan je favorieten.

De Hollandsche wijsgeer in Braband.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'4 a*4 $

Vïjf. ËN- TWINTIGSTE ÉRÏEF

FREDERIK AAN FENELÖS. '

J[k moét mij fpoeden, Fenelon! om ü te erinneren, dat ge een Wijsgeer, dat ge een

Christen zijt, en dat ü, u, zeg ik het

minst Van allen die troostlóozc taal voegt, Welke gij mij in uw laatflèn hebt doen hooreri.

Hó'e dikwerf hebt gij mij de ijdelheid, de verganklijkheidvandit leeven niet voorgehouden! Hoe dikwerf hebt gij mij niet de dwaasheid van hen doen opmerken, die de tijdlijkegefchenken der voorzienigheid als eeuwige goe. deren en bezittingen aanmerken! Is niet alles wat ons omringt, alles wat in onze hand is, een vlugtige fchaduuw die geen oogenblik zekerheid van beftaan heeft?

Is uwe Magdalena niet meer? — wel nu dan is zij ook niet meer op deeze aarde, op dit jammerdal! dan zijn haare rampen geëindigd,- haare kwellingen houden op, en zij bevind zig in die eeuwige vreugde, werwaards de Wijzen en Godvrugtigen het Verlangend oog wenden. Dan is zij u flegts

ee-