is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderwys in de christelyke zedenleer vraagswyze opgestelt.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zedenleer. X. Hoofdstuk. ioi

VIII. vs. 21. daar God in 't gemeen van den mensch zegt, dat het gedicht/el van zyn harte boos is van zyner jeugd aan, en Rom. III: vs. 23. daar Paulus zegt: want zy hebben alle gezondigt en derven de heerlykheid Gods.

V. Legt er ook eenige nadruk in de eerfte plaats tot beveiliging?

A. Ja, als men deeze vergelyktmet Gen. VI. vs. 5., als waar uit blykt, dat de reeden van des menfchen zedelyke ongefteldheid niet enkel in eene bedorvenheid van tyd, maar in de inwendige verdorvenheid van zyn eige harte te vinden zy, en dat dit waarheid zy niet maar van deeze ;of geene godloozen, maar van alle menfchen.

V. Word echter in de tweede plaats niet alleen, gefprooken van de Heidenen en wel van de zulke, die hetmeeft verdorven waren?

A. De Apoftel mooge in dat hoofddeel byzonder deeze bedoelen,hy fpreekt nogtans zodanig, dat zyne Reeden op den mensch in 't gemeen toepaflelyk zy, waarom hy ook vs.q.. niet alleen de Jooden, maar ook zyn eigen perfoon influit, en brengt onder het getal der geene die in zich zelve geene uitneemenheid hebben boven anderen.

V. Hoe bewyft men die Algemeenheid uit de Ondervinding ?

A. In het gemeen uit het beftaan en gedrag van alle menfchen, en in 't byzonder uit dat G 3 ? be-