is toegevoegd aan uw favorieten.

Mensch, God en onsterfelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaalde min of meer omlijnde theorieën hebben, waarnaar zij hun gedrag regelen — hetzij wij die godsdienstig of wijsgeerig willen noemen — zoodat hun daden, hiernaar beoordeeld, hoe onzinnig zij den beschaafden mensch ook mogen toeschijnen, werkelijk tegelijk redelijk en begrijpelijk zijn. Vandaar is het naar mijn meening een grondige fout om, wijl het gedrag van den wilde niet overeenkomt met wat wij redelijk, natuurlijk en gepast vinden, haastig weg te oordeelen, dat hun gedrag daarom noodzakelijk onlogisch wezen moet, eerder het gevolg van blinde aandrift dan van bedaarde overweging en berekening. Zonder twijfel handelt de wilde zoo goed als de beschaafde mensch vaak louter en alleen uit aandrift; zijn hartstochten overweldigen zijn verstand en jagen het voor zich op de vlucht. Hij is waarschijnlijk inderdaad meer onderhevig aan opwellingen, meer vatbaar om door vlagen van hartstocht in oproer te worden gebracht dan wij; toch zou het onredelijk wezen zijn leven als geheel meer naar die toevallige uitbarstingen te beoordeelen dan naar zijn algemeene strekking, welke aan wie hem uit langdurige waarneming kennen, een redelijken en logischen grondslag vertoont, die in zijn werkingen op den onzen gelijkt, hoewel daarvan verschillend in de onderstellingen, waarvan hij uitgaat. Ik acht het wenschelijk den nadruk te leggen op den redelijken grondslag van het leven der wilden, omdat het de laatste jaren bij sommige schrijvers mode is geworden dien in twijfel te trekken of zelfs te ontkennen. Als ik hen goed versta, Zou naar dezen de wilde eerst handelen en dan redenen uitvinden, in het algemeen heel onzinnige redenen, om ook evenzoo later te kunnen handelen. Teekenend genoeg, hebben de schrijvers, die een betoog houden ten gunste van de essentieele onredelijkheid van het gedrag der wilden geen van allen, naar ik meen, daarmee eenige persoonlijke bekendheid. Hun gevolgtrekkingen berusten niet op waarneming, maar louter op theoretische afleiding, een hoogst onzekeren grondslag om daarop een kennis van den mensch of welke kennis ook te grondvesten. Als zoodanig kunnen zij niet in de weegschaal worden gelegd tegenover de stellige verklaring van vele getuigen, die jarenlang onder de wilden hebben geleefd en die nadrukkelijk het Mensch, God en Onsterfelijkheid. 3