Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STRAF, STRAFSÖORTEN EN MATE VAN STRAF

263

Voorbeeld van een voortgezet delict: A wil zich een bedrag van ƒ 1000— uit de kas van zijn patroon toeëigenen en doet dat door dagen achtereen bedragen van 100 en 200 gld. weg te nemen. A mishandelt B. door hem achtereenvolgens vier, vijf slagen te geven enz.

Er moet dus voor de toepasselijkheid van art. 64 tusschen de meerdere feiten een zoodanig verband bestaan, dat ze als één voortgezette handeling moeten worden beschouwd; wanneer dat verband mag worden aangenomen, staat echter in het artikel niet aangegeven, die kwestie is aan het oordeel van den rechter overgelaten. Gewoonlijk1) wordt daarvoor drieërlei eisch gesteld, er moet n.1. zijn:

lo éénheid van besluit, de feiten moeten uit één ongeoorloofd besluit voortvloeien.

2o de delicten moeten dientengevolge gelijksoortig zijn wat hun qualificatie aangaat

3o de tusschen de feiten liggende tijdsruimte mag niet te

groot zijn.

Dat voor het aannemen van verband en dus van de voortgezette handeling de sub 1 en 2 gestelde voorwaarden moeten aanwezig zijn, wordt door Prof. Simons (I blz. 400—401) ontkend. Schrijver meent, dat zeer goed verband kan bestaan bij ongelijksoortige handelingen en dat de gevorderde eenheid van besluit slechts een algemeene beteekenis kan hebben, bijv. iemand besluit zich op zijn vijand te wreken en beleedigt dientengevolge eerst zijn tegenstander, spuwt hem dan in het gezicht en beschadigt tenslotte diens kleeren.

Weliswaar zijn hier ongelijksoortige handelingen gepleegd, maar ongetwijfeld is het in art. 64 bedoelde verband aanwezig en moeten de verschillende feiten als één voortgezette handeling worden beschouwd. Deze opvatting komt mij juist voor.

Het tweede lid van art. 64 behelst eigenlijk een uitzondering voor een bepaald geval op art 65; het bepaalt n.1., dat slechts één strafbepaling wordt toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid of muntschennis en aan het gebruikmaken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid of muntschennis is gepleegd.

i) Aldus ook Mem. v. Toel. Ned. Swb., de H. R. o. a. in zijn arrest d. d. 13 October 1913 W. 9538.

Sluiten