Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

Mendelssohn zat aan een diner naast Keizer Wilhelm.

Keizer Wilhelm wilde hem voor den gek houden en schrijft op een papier: „Mendelssohn ist ein Esel." Waarop Mendelssohn kalm onder het papier schrijft: „Wilhelm der Zweite."

Twee straatjongens vechten. Een eerwaardig uitziende heer haalt hen echter van elkaar, waarop zij hem beginnen uit te schelden.

De oude heer zegt hierop verontwaardigd: „Willen jullie je mond wel eens houden! Weet je wel wie ik ben? ik ben de Opperrabbijn!"

Waarop één der jongens kalm antwoordt: „Nou, dan vechten wij onder Rabbinaal toezicht."

Sam Houtwol, die een lange baard draagt, heeft juist heerlijk gegeten in het restaurant „Het Hollend Hert". De kelner komt afrekenen, legt zijn vinger op Sam's baard en zegt, nauwkeurig de baard bekijkend:

„U hebt gehad: soep, spinazie, eieren, pudding".

Sam Houtwol laat hierop onverwacht een boertje, waarop de kelner haastig zegt:

„O, ja, het Victoria-water heb ik vergeten."

Sam komt bij zijn vriend les op kantoor en is daar erg bang voor diens hond, omdat deze erg blaft.

les stelt hem gerust met de woorden:

„Je weet wel, blaffende honden bijten niet." Waarop Sam antwoordt:

„Ja, dat weet ik. maar weet ik of hij het weet!"

Simon Kachelpijp wandelt door de Kalverstraat van Amsterdam, als iemand hem een verschrikkelijke slag in zijn gezicht geeft: hij blijft bedrukt staan kijken, tot zijn vriend Slijpsteen voorbij komt en hem naar de reden vraagt. Als Slijpsteen het verhaal gehoord heeft, zegt hij:

„Ga mee, wij zullen hem inhalen, ik zal een woordje met hem praten."

Als zij den man ingehaald hebben, een groote barsen uitziende kerel, roept Slijpsteen hem toe:

„Jij hebt mijn vriend geslagen, durf dat nog eens! durf dat nog eens!!" . „

Nauwelijks heeft hij dit gezegd of Simon Kachelpijp

Sluiten