is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

291

art. 227 m en bij den kantonrechter art. 252m, — thans art. 878 en art. 895 — heeft voor het hooger beroep aanleiding gegeven tot moeilijkheden De Hooge Eaad heeft aangenomen, dat voor de uitspraak van den rechter in hooger beroep de bepaling van art. 221 Sv. omtrent den inhoud van het-***- %St,\ vonnis onveranderd is blijven gelden, zoodat uit het vonnis moet blijken van den inhoud der gebezigde bewijsmiddelen, die aan de bepalingen omtrent het bewijsrecht moeten kunnen worden getoetst*). Nu kan de inhoud van het mondelinge vonnis alleen worden afgeleid uit de aanteekeningen daarvan opgenomen in het proces-verbaal der zitting, waarin het vonnis is uitgesproken. Volgens de bepalingen, door den Minister van Justitie omtrent die aanteekeningen gegeven, moeten daarin de bewijsmiddelen worden vermeld, onder verwijzing naar hun inhoud volgens het proces-verbaal der terechtzitting en andere processtukken, eventueel met de beperking „voor zoover het bewijsmiddel op eigen waarneming of wetenschap berust". De Hooge Eaad heeft echter eene dergelijke vermelding onvoldoende geoordeeld, omdat op deze wijze niet kan worden nagegaan, of het gedeelte van het gebezigde bewijsmiddel inderdaad op eigen waarneming berustte8). Intusschen is de latere rechtspraak wat minder streng; zoo werd bij het arrest van 12 Mei 1924; W. 11220 een vonnis gehandhaafd ondanks het genoemde voorbehoud ten aanzien van het gebezigde bewijsmiddel en wel omdat de gebezigde getuigenverklaring geheel op eigen waarneming berustte en de reserve dus geen zin had 4). Bij arrest van 2 Februari 1925; W. 11840 werd stilzwijgend aangenomen, dat voor de beoordeeling van den inhoud van het vonnis ook mocht worden gelet op een proces-verbaal, waarvan de inhoud niet uit de aanteekeningen doch slechts uit de andere processtukken kon blijken. Ook hier had de rechter het bewijsmiddel gebezigd „voor zooverre het waar noodig op eigen waarneming berust". Uit de

*) Vgl. de artikelen van mrs. Kruseman, Cnopius en van Dijck in W 11100 en 11113, 11323, 10974, 11107 en 11109.

») 16 April 1923, 30 April 1923, 4 Juni 1923, 11 December 1924- W 11071 11081, 11091 en 11314.

*) 19 Maart 1923; W. 11023.

4) Vgl. ook 5 Mei 1924; W. 11317.