is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude man gooide de plank om, die op zijn kant stond, en ging over deze brug naar Freek.

„Weet je wat je doet," zeide deze: „Ga jij nu hierheen, en zie dan achter 'm te komen; ik zal recht op den knol afgaan, en als hij dan blijft stilstaan, ziet hem dan te pakken. Hier is het touw."

Oliehoek deed wat gezegd was, en ging langs den waterkantom het paard heen, waarna hij recht op Jan afkwam.

Freek naderde van de andere zijde; en het paard stond even stil als de twee hooiers, welke,inwendig lachend, de poging met belangstelling volgden.

„Ziezoo, nou heb ik je," dacht Oliehoek, die geen armslengte meer van het paard af was, en het touw al in gereedheid hield. — Maar plotseling kwam er leven in den kreng; hij sloeg achteruit, alsof hij wist, dat er iemand achter hem stond, en de slag was raak, geducht raak, want Jaap Oliehoek viel achterover.

„Ach, ach," kermde hij tegen de hooiers, welke in een oogwenk over de sloot waren.

Freek hield het paard vast, dat opeens zoo mak als een duif was geworden.

„Hij heeft je tegen je scheenbeen geraakt, niet waar?" vroeg Frans.

„Jawel," antwoordde Oliehoek, die zich wat hersteld had.

Zijn broekspijp werd omgeslagen, en de wollen kous, welke aan de wond kleefde, afgestroopt. Het vel was van het been af, en de wond rood, bloederig.

„Ik geloof, dat er van binnen iets gebroken is," zeide Jaap Oliehoek.

29