is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude vrouw keek hem ernstig aan. Zij kon maar niet begrijpen, hoe zulk een man er toe kon komen, eene halfonnoozele meid, die met zoo bijZonder veel aanbracht, te kiezen; en zij dacht, dat er het een of ander achter stak; maar wat dan? Zij herinnerde zich echter, dat zij indertijd wel een man had genomen, die „de leelijke Gijs" werd genoemd; waarom kon dus ook niet iemand zin in haar dochter hebben! Met een blijder klank in hare stem zeide zij dan ook: „Nou, as 't waar is, doet 't me pleizier, we zeilen 't aan Keetje zeggen.'*

„Dat is goed, ik zal ze roepen," zeide Jan, en hij ging op zijne kousen de kamer uit.

„Welnou, wat zeg ie der van?" vroeg de moeder, wier verkromd lichaam goedkeurend op en neer bewoog, toen Jan aan zijne zuster had verteld wat Van Loon hem gezegd had.

Het meisje antwoordde niets, en zag met hare groote blauwe oogen verbijsterd, wezenloos rond, terwijl hare grove handen zenuwachtig langs den witten boezelaar streken.

„Nou, koman, vindt je 't niet mooi," zeide Jan, en in zijne stem was eenig misnoegen op te merken over haar stilzwijgen.

Keetje bleef zwijgen.

„Ben je doof geworden?" vroeg haar moeder ongeduldig.

Dit bracht leven in het meisje, en zij antwoordde snel achter elkaar: „Nee, 't kan niet, 't kan niet!"

„Waarom niet?" vroeg Jan met nijdige verwon46

46