is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

de bestrijding der vermogensleer

is deze. Moet de ziel worden opgevat naar analogie van een organisme, dan is er telkens in het zieleleven meer, dan wat er van buiten is ingekomen; dan is het samengestelde meer dan de som van zijn zoogenaamde deelen; dan komt er telkens een onberekenbare factor te voorschijn; dan groeit er telkens iets op, dat men zelf niet weet hoe. Is daarentegen het zieleleven mechanisch te verklaren, dan hebben we alleen te rekenen met de elementen, die als „voorstellingen" van buiten komen; zijn deze gegeven, en weten we de wetten volgens welke ze zich verbinden en scheiden, dan is in principe het geheele verdere verloop der zielsverschijnselen berekenbaar.

In de vermogenszielkunde zelf der 18e eeuw worstelen genoemde richtingen met elkaar, onder deze eigenaardige complicatie, dat in de veelheid en vast-omschreven taak der vermogens het organisme dreigde te verstarren en te vermechaniseeren. Men deed als een physioloog zou doen, die voor de ademhaling alleen op de longen, voor de voeding alleen op het darmkanaal, voor de beweging alleen op de ledematen zou letten. Men was te spoedig klaar.

Dat was herbart ook. Feitelijk verwaarloost hij de empirie voor zijn constructies. De onderstellingen die hij aangaande de voorstellingen maakt zijn willekeurig. Hij maakt ze tot eeuwig bestaande wezens, die een zelfstandig bestaan en een zelfstandigen strijd voeren. Zuivere mythologie. Waar halen ze b.v. de bewustzijnsdrempel van daan, en wat zien ze er toch in, om daar boven uit te komen? Wat Herbart aan de vermogensleer verwijt, doet hij zelf in sterkere mate. Hij abstraheert een enkel element — de voorstellingen — uit het geheel van het zieleleven, en maakt ze tot zelfstandigheden. Met dat al blijven waarde behouden zijn waarschuwingen tegen het zelfstandig stellen der zielsvermogens, tegen de scheiding van wat bijeen behoort, zijn streven om het samengestelde met het eenvoudige in verband te brengen.

26. Een jongere tijdgenoot en in sommige opzichten een medestander van Herbart was Beneke (1798—1854). Men zou in twijfel kunnen verkeeren of men hem bij de voor- of tegenstanders van de vermogensleer moet rekenen. Hij handhaaft het vermogensbegrip tegenover herbart, en maakt er, ook ter verklaring, veelvuldig gebruik van, maar staat toch scherp tegen de traditioneele vermogenszielkunde over. De beteekenis van beneke, die minder