is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

dat op het delict doodstraf staat1), maar dit was niet de algemeen geldende opvatting. Matthaeus leert, dat pijniging alleen dan mag plaats hebben, wanneer de bedreigde straf zwaarder is dan de pijniging: deze mag immers niet een zwaarder leed zijn dan de straf, die eventueel opgelegd mag worden. Andere schrijvers eischen, dat op het delict een straf staat, zwaarder dan verbanning; Clarus leert, dat gepijnigd mag worden, wanneer op het delict een poena corporalis staat2). Van Leeuwen stelt in zijne Censura Forensis den eisch, dat op het delict als straf staat doodstraf, veroordeeling tot openbare werken, tot galeistraf of levenslange gevangenisstraf, afsnijding van een lichaamsdeel of een dergelijke zware straf, zoodat wegens eenvoudigen diefstal niet, wegens diefstal onder verzwarende omstandigheden wel de tortuur mag worden toegepast*). Ook Duysendtdaelders, Voet en Huber stellen niet den eisch, dat op het delict doodstraf staat *). Damhouder zegt, dat gepijnigd mag worden wegens alle misdrijven, uitgezonderd geringe feiten, waarop geen lijfstraf staat8).

Een tweede vereischte is, dat vaststaat, dat de misdaad inderdaad gepleegd is, ook al zijn er voldoende aanwijzingen van schuld van den verdachte. Op een onzeker vermoeden, dat de verdachte eenig kwaad heeft gedaan, mag in het algemeen niet gefolterd worden. Landloopers, bekende roovers en lieden van slechten levenswandel werden echter ook op losse gronden aan tortuur onderworpen, zonder dat zekerheid bestond, dat een misdaad gepleegd was, indien er vermoeden van misdaad bestond.

Ten derde is vereischt, dat er zoodanige aanwijzingen van schuld bestaan, dat het waarschijnlijk is, dat de verdachte schuldig is.

Ten vierde moet de tortuur geschieden krachtens rechterlijk vonnis *), in tegenwoordigheid van den rechter en op zoodanige wijze, als door hem bepaald wordt. Niet de beul noch de aanklager heeft de mate van pijniging te bepalen.

*) Kersteman, Holl. Rechtsgeleerd Woordenboek sub Pijnbank. Voorda. Crim. Ordonnantiën, Verhandeling bl. 77.

*) Matthaeus. De Criminibus, lib. XLVIII, De Quaest, cap. III, num. 1.

*) T. a. p. Pars II, lib. II, cap. VIII, sub 1. Bort eischt, dat het feit zoodanig is, dat daarop staat verlies van leven of lichaamsdeel. Tractaat van Cr. Saecken, tit. 9, num. 33.

4) Duisendtdaelders. Observationes, 1662, caput XI. Voet Commentarius ad Pandectas, liber XLVIII, tit. XVIII. Huber Heedendaagse Regtsgeleertheyt, 6e boek hoofdstuk XXII.

8) Practijck in Cr. S. cap. 35, num. 4.

") Matthaeus. De Criminibus. Tit. De Quaestionibus, cap. IV num. 6. Farinacius Praxis (Zriminalis lib. I, tit. 5, quaest. 38, num. 7.