is toegevoegd aan je favorieten.

Het ontwerp ziekte- en ongevallenwet 1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDMOMENTEN

UIT DE LAATSTE

GESCHIEDENIS DER ZIEKTEVERZEKERING. DE DRIE ONGEVALLENVERZEKERINGSWETTEN.

Wij beginnen onze kroniek der hoofdmomenten uit de laatste geschiedenis der ziekteverzekering met het Ministerie Heemskerk, toen op 18 Juli 1910 de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, A. S. Talma, bij de Kamer aanhangig maakte een Ontwerp tot regeling der Arbeiders-Ziektever' zekering, omvattende een Ontwerp-Radenwet en een Ontwerp-Ziektewet.

De Minister stelde voor in te voeren een verplichte Arbeiders-Ziekte-verzekering, waarvan de premie zou worden gedragen door den werkgever voor de helft en door den arbeider voor de andere helft. Het ziekengeld zou bedragen 70/100 van het gemiddelde der loonklasse, waartoe de verzekerde bij den aanvang der ongeschiktheid tot werken zou behooren. Losse arbeiders zouden niet verzekerd zijn. De uitvoering der verzekering zou worden opgedragen aan de Raden van Arbeid. (Later werd een afdeeling ingevoegd, waardoor het risico ook zou kunnen worden overgedragen aan erkende bijzondere kassen). Het Ontwerp-Talma regelde voorts de voorwaarden waaraan ziekenfondsen (dit zijn dus fondsen welke zich met de geneeskundige behandeling van zieken inlaten) moeten voldoen om toegelaten (erkend) te kunnen worden. Het ontwerp deed de ziekteverzekering zich echter alleen uitstrekken tot een geldelijke indemniteit. De verzekering van geneeskundige behandeling stond buiten het ontwerp.

De Kamer benoemde ter behandeling van het Ontwerp-