Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

„Wel allemenschen — dat is ook wat."

„Wat dan vader — iets over de reis?"

„Nou en of. Uit den Haag van 't Chineesche gezantschap — de pas ligt klaar en ik kan dadelijk weg — och — och — een week vroeger, wat een winst."

„Maar och gorrie, dat kan toch niet, me lieve menschen — dadelijk," zei Sabien, hoofdschuddend.

Maar Stella zei niets en knikte alleen, terwijl er een warm begrijpen in haar heldere oogen blonk.

„O, wat een bof — wie had dat kunnen denken, nu gauw eens den trein nakijken/' hij stond op van tafel, vergat de sinaasappel en Stella volgde hem, Sabien achter latende met een verongelijkt en verbouwereerd gezicht.

„Die mannen toch — o die mannen," mompelde ze en begon hoofdschuddend de tafel af te ruimen.

Ondertusschen waren Stella en haar vader de breede, koud witte gang doorgeloopen, de trap op naar boven waar vaders studeerkamer was.

Daar nam hij dadelijk een spoorboekje en viel neer in zijn armstoel, terwijl Stella zich op de armleuning daarvan zette.

„Juist, dat zou gaan, de trein van zes vijf en dertig uit Paliseul, dus dat haal ik net als ik de vroegtram neem, en dan eens kijken, die aansluiting is goed, dan ben ik overmorgen tijdig in den Haag, dat klopt peuter."

De „peuter", die heelemaal geen kleine peuter was, maar een groot, forsch meisje van veertien, met een fijn, schrander gezichtje, kort geknipte haren, een wat groote vastbesloten mond, en droomerige, bruine oogen; peuter schoof haar arm om vaders hals en zei alleen:

„O vader, wat verlang je om te gaan, hè."

„Ja — eigenlijk tegenover jou — natuurlijk als ik aan jou denk, kind, dat ik je hier alleen achter laat — och maar je weet niet hoè ik gehunkerd heb om weer weg te komen — denk eens aan, vier jaar heb ik

Sluiten