Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Broertje en zusje

jaagden zij het allen na, maar ons beestje was hun allen te vlug af. Dit spelletje duurde zoo den heelen dag. Eindelijk hadden de jagers het omsingeld, en een van hen verwondde het beestje een klein beetje aan zijn poot, zopdat het hinkte en maar langzaam vooruit kon komen. Een jager sloop het beestje, tot aan het huisje, na en hoorde, dat het riep: „Zusjelief, doe open, als je blief," zag, dat de deur voor hem open gedaan en toen dadelijk weer gesloten werd. De jager onthield dit goed, liep naar den koning en vertelde hem, wat hij gezien en gehoord had. Toen sprak de koning: „Morgen zullen we nog een keer op de jacht gaan." Het zusje schrikte hevig, toen zij zag, dat haar reekalfje gewond was. Zij waschte het bloed af, legde kruiden op de wond en zei: „Ga naar je bedje, lief, tot je weer gezond bent" De wond was echter zoo gering, dat het reekalfje er den volgenden morgen niets meer van merkte. En toen het het jachtvermaak weer buiten hoorde, zei het: „Nee, dat hou ik niet uit, daar moet ik bij zijn; zoo gauw zullen ze mij niet vangen." Het zusje huilde en zei: „O God, nu zullen ze je zeker dooden, en dan blijf ik hier heel alleen in 't bosch over, dan heb ik niemand* meer; neen, ik laat je niet gaan." „Dan sterf ik hier zeker van verdriet," antwoordde het reekalfje, „als ik den jachthoorn hoor, dan moet ik er naar toe, daar helpt geen broertje of zusje aan!" Toen bleef 't zusje niets anders over, zij moest het laten gaan en ons diertje sprong gezond en wel 't bosch weer in. Toen de koning het gewaar werd, sprak hij tegen zijn jagers: „Jaag het na, des noods tot in den nacht, maar wees voorzichtig, dat het niets overkomt!" Zoodra de zon onder was, sprak de koning tot den jager: „Nu wijs mij den weg naar 't boschteisje." En voor de deur komende, klopte hij aan en sprak: „Zusjelief, doe open, als je blief." De deur ging open en binnen tredende zag hij het mooiste meisje, dat hij ooit in zijn leven ontmoet had. Je kunt begrijpen, dat 't meisje hevig schrikte, in plaats van haar reekalfje, een man te zien. Maar de koning keek haar heel vriendelijk aan, reikte haar de hand en zei: „Wil je met mij mee gaan naar mijn paleis en mijn lief klein vrouwtje wórde*?" — „O, ja," antwoordde het meisje, „maar mag mijn reekalfje ook mee, want dat verlaat ik nooit, voor niets ter wereld." De koning sprak: „Het zal bij jou blijven, zoolang je leeft, en het zal het diertje aan -niets ontbreken^Terwijl dejjoning dit zeide, kwam het al aangesprongen. Het meisje nam hetblézentouw, bond het diertje weer hieraan vast en zóó verlieten zij het kleine huisje. De

Sluiten