is toegevoegd aan uw favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

HYPOTHEEKRECHT.

Geschiedenis.

Toen met den klokslag van middernacht tusschen den 30sten Sep¬

tember en den Isten October van het jaar 1838, door de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, van verbindende kracht werden de bepalingen betreffende hypotheek, vervat in de twintigste titel van het tweede boek, had de wetgever hiermede geenszins een nieuwe vinding in het wetboek ingelascht. Het recht van den schuldeischer, zijne vordering bij voorkeur te verhalen op het onroerend goed van een ander, komt reeds, zij het in geheel anderen vorm, in de grijze oudheid voor.

Demosthenes en Plutarchus verhalen van een soort hypotheek, ter aanduiding waarvan op het belaste stuk grond een steen werd geplaatst, waarop het bedrag der schuld stond aangegeven.1 Niet onwaarschijnlijk zijn de Grieken op dit idee gebracht door de Babyloniërs, die reeds de gewoonte hadden hun terrein af te bakenen door ovale steenen, waarop hun eigendomsrecht stond gebeiteld.2

Het Romeinsche recht uit den tijd van vóór Justinianus kende drie vormen van verpanding: fiducia, waarbij de schuldeischer eigenaar werd van de verpande zaak, onder verplichting deze na voldoening der schuld terug te geven; pignus depositum, waardoor de schuldeischer geen eigenaar, doch slechts bezitter werd en hypotbeca, waarbij de schuldenaar zoowel eigenaar als bezitter bleef en de schuldeischer slechts een zakelijk recht tot opeisching kreeg. Vertoont deze laatste vorm van verpanding oogenschijnlijk eenige overeenkomst met

1 Vandaar „onderzetting".

* Oppert et Menaut, Doe. jurid. de 1'Assyrie, 1877.

v. Nierop, Hypotheekrecht.

1