is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons mooi en nijver Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

„Meeuw!" zei Kawa, „je bent een gans."

Jan moest lachen. De meeuw bleef ontevreden.

„Als de menschen nu zoo'n polder aan zichzelf overlaten, dan wordt het heele land, dat daar weer achter is, bedreigd, en dan zou er ten slotte niets overblijven. Daarom moeten ze zoo'n calamiteusen polder wel beschermen." De meeuw zei:

„Och, als er wat dijkvallen plaatsvinden, ben ik tevreden. Een flinke dijkval, zooals op Noord- en Zuid-Beveland en Schouwen, kan ons aardig helpen. Ik weet wel, hoe 't gaat. Het vloedwater schuurt met kracht langs den dijkvoet, en deze wordt hoe langer hoe steiler en zwakker. Ineens zakt de dijk, en dan dringt het water 't onbeschermde land in. Nu heeft men er ook al weer iets op gevonden. Men versterkt den dijk met zinkstukken of beton. Jan, houd je van mosselen?"

„Neen," zei Jan, „ik heb geen honger. Laten we even in 't Zuiden zien, of schipper Hendriks daar misschien is te vinden."

10. SCHIPPER HENDRIKS BLIJFT UIT.

„Laten we naar 't kanaal van Zuid-Beveland gaan, daar moeten ten minste alle schepen naar 't zuiden door," zei de .meeuw, ,,'t Is de eenige goede weg."

Aldus werd besloten. Ze vlogen recht-aan recht-toe naar Hansweert, in welke buurt de drie vogels bleven zwerven. Want van hier loopt het kanaal van Zuid-Beveland naar Wemeldinge, en dit kanaal is de verbindingsweg tusschen Antwerpen en den Rijn. Groote schepen gaan er door, en hier, meende de meeuw, zou 't kleine scheepje van Hendriks ook wel doorkomen, 't Begon Jan echter al dra te vervelen, dat wachten, en daarom stelde hij Kawa voor, om eens een tochtje te maken over Zuid-Beveland en Walcheren. Wat Jan natuurlijk al dadelijk opviel, waren de kleederdrachten der Zeeuwsche boerinnen en boeren, die met hun wagens, bespannen met de sterke Zeeuwsche paarden, naar de Goessche markt, waren