Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

iederen dag heiligschennissen en godsmoorden! Als je een blok hout in 't vuur werpt, verbrandt je misschien 'n god (*), want al is hij 't nog niet, hij kan 't worden, 'n Marmeren Neptunus is kostbaarder dan 'n houten, 't Ivoor, waarvan men Jupiter maakt, heeft meer waarde dan de gewone aarde, die dient om 'n andere godheid voor te stellen, 'n Koopman zal 'n gouden beeld van Priapus, 'n godheid der tweede orde, duurder verkoopen dan 'n zilveren van den grooten Jupiter of de groote Diana. Geloof me, doorluchtige Diocletiaan, de aarde verschaft ons metalen om er ons van te bedienen en niet om ze te aanbidden! Onze God is ver verheven boven de goden, die in n smeltkroes of onder den beitel van den beeldhouwer ontstaan!"

— „Zeg me, Emilianus, heeft Paulus niet geofferd aan uw God?"

— „Neen, volstrekt niet!"

— „En Mozes?"

— „Bij de Joden was dat geoorloofd en goed."

— „Emilianus, je moet offeren!"

— „Ik zal mijn ziel niet besmetten en in 't verderf storten."

— „Zullen wij de onze dan in 't verderf storten?"

— „Ja, je stort ze in 't verderf en je lichaam ook."

— „Wat! 't lichaam ook? Geloof je dan, dat dit vleesch

eenmaal zal verrijzen?"

— „Ja, dat geloof ik vast."

— „Heeft Paulus Christus niet verloochend?"

— „Neen."

— „Zou je dat met 'n eed durven bevestigen?"

f1) Horatius drijft op vermakelijke wijze den spot met de belachelijke bijgeloovigheid der Romeinen, die hun afgoden als ware goden aanbaden. In een zijner hekeldichten laat hij 'n werkman optreden, die, terwijl hij 'n boomstam gaat bewerken, zich lang afvraagt, of hij er 'n bank of 'n god van zal maken; eindelijk besluit hij er bij voorkeur 'n god van te vervaardigen.

Sluiten