is toegevoegd aan uw favorieten.

De Brief van den apostel Paulus aan de Galaten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

Tweede hoofddeel. Galaten 4.

vermoeiende arbeid nutteloos wezen? De herinnering aan zijn harden arbeid aan en onder hen, wil de apostel hier gebruiken, om de Galaten mede daardoor terug te roepen van hun dwaalweg.

Der Galaten vroegere aanneming van den apostel en van het Evangelie, in buitengewone liefde, 4 112—16.

4 : 12 Wordt als ik, want ook ik ben als gij, broeders, bid ik u. Gij hebt mij geen ongelijk aangedaan. «Maar gij weet, dat ik ter oorzake van eene krankheid des vleesches u den eersten keer het Evangelie verkondigd heb. uEn uwe verzoeking in mijn vleesch hebt gij niet veracht, noch verafschuwd, maar gij hebt mij aangenomen als een engel Gods, als Chrisrus Jezus. 15 Waar is dan uwe zaligprijzing? Want ik geef u getuigenis, dat gij, indien mogelijk, uwe oogen uitgegraven, en mij gegeven zoudt hebben. 16 Zoodat ik uw vijand geworden ben met u de waarheid te zeggen?

De apostel wees in de voorafgaande verzen de Galaten op hun heidensch eertijds, en op de genade, dat zij tot zaligende kennis van God hadden mogen komen. Als vanzelf moest dat de gedachte richten op hem, door wien God hen alzoo tot bekeering had willen brengen, alsmede op den tijd, wanneer dat geschied was. En zoo begint de apostel dan nu over zich en dien tijd te handelen.

Wordf als ik, vrij van de wet. zonder u weer onder haar te willen stellen ter verwerving van eene eigene gerechtigheid, buiten die van den Heere Christus door het geloof, want ook ik ben, of werd, als gij, naar mijn regel, dat ik dengenen, die de wet niet hebben, word als zonder de wet, ICor. 9:21, broeders, bid ik u. De apostel voelt zich wederom gedrongen, zijne gebondenheid aan hen uittespreken, en doet weten, hoezeer hij bij hen aandringt, zijne vermaning optevolgen, door aan broeders nog toetevoegen: bid ik u. De vrees, die hij in vs. 12 uitte, laat zich op deze wijze nog in deze vermaning merken. Zijn gemoed is in onrust en ontroering. Het beroep des apostels op het wetsvrije van zijn verkeer met hen. moest de Galaten te duidelijker doen inzien, dat de wetsonderhouding, waartoe zij door de dwaalleeraars overgehaald werden, en zei ven overhelden, onnoodig was, en in strijd me,t zijn leer en voorbeeld. Gij hebt mij geen ongelijk gedaan. Dat de apostel zich zoo sterk en scherp tegen de Galaten en hun verkeerde doen stelde, kwam niet voort uit persoonlijke gekrenktheid, alsof zij hem onrecht aangedaan hadden; dat moesten zij niet meenen. Mogelijk is dit zeggen van den apostel een antwoord op eenige verdachtmaking van den kant der dwaalleeraars, dat het bij hem slechts