is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de dividend- en tantièmebelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 2

116

De houders van aandeelen in afzonderlijke fondsen zijn eveneens voor de eerste maal in art. 20 der wet op de inkomstenbelasting genoemd. Dergelijke afzonderlijke, in aandeelen verdeelde, fondsen vindt men bij coöperatieve vereenigingen en bij onderlinge verzekeringmaatschappijen. Men vergelijke de toelichting tot art. 9, letters 6 en c, en tot art. 21 — in het ontwerp art. 20 — der wet op de inkomstenbelasting. Wie die toelichting leest, zal geen vrede kunnen hebben met de opvatting, welke de raad van beroep te Haarlem in zijn, reeds op blz. 107 genoemde, uitspraak van 5 Maart 1920 (B. n°. 2523) ten aanzien van genoemde fondsen koestert. Dat de wet „blijkbaar" het oog zou hebben op een fonds, waarop ieder hd naar verhouding van zijn aandeel in de vereeniging krachtens zijn lidmaatschap aanspraak heeft, is geheel onjuist. Er is ook gedacht aan fondsen, waarin men naar beheven aandeel kan nemen.

Het vervolg der opsomming omvat diegenen, wier winstaandeelen door de tegenwoordige wet voor het eerst aan belasting werden onderworpen, de tantièmetrekkers. In de vroegere wetgeving waren zij eveneens genoemd, doch met een ander doel: hunne winstaandeelen werden uitdrukkelijk aan de werking der belastingwet onttrokken.

De commissarissen zijn uit het Wetboek van Koophandel {art. 44) en uit de wet op de coöperatieve vereenigingen (art. 9) genoegzaam bekend. Wat de gecommitteerden, reeds vermeld in art. 5 der wet op de bedrijfsbelasting, aangaat, de statuten van sommige vennootschappen dragen aan bepaalde personen, gekozen door de algemeene vergadering en uit de aandeelhouders, enkele bijzondere werkzaamheden op, die anders tot de taak der commissarissen behooren, zooals o. a. het nagaan van de balans. Aandeze personen wordtwel denaam van gecommitteerden gegeven.

Bij beheerende vennooten is men allereerst geneigd, aan de hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennooten eener commanditaire vennootschap op aandeelen te denken. Doch ten onrechte : de aan voor het geheel aansprakelijke vennooten—die trouwens niet allen beheerende vennooten behoeven te zijn (artt. 18 vlg. W. v. K.) — gedane uitdeelingen worden in art. 4, letter c, van de heffing der belasting uitgezonderd. Het zou derhalve geen zin hebben, hen in art. 2 uitdrukkelijk te noemen. Wie er dan wel bedoeld zijn, is niet volkomen duidelijk. Naar ik meen te weten, komt het bij de commanditaire vennootschap op aandeelen wel voor, dat een beheerstaak wordt opgedragen aan commanditairen, d. i. aan vennooten, die niet tot de door