Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, dat Zijn geheimenis (d.w.z. het waarom der besluiten) bindend is en men Zijn bevel aanbidden moet, ook al weet men de reden niet. Onder de engelen zijn er echter, die het gelaat met hun gewaden bedekken en „misnoegend henen druipen". Deze worden later de Luciferisten.

In het tweede bedrijf komt Lucifer ten tooneele. Hij is Gods stedehouder, dus de zichtbare plaatsbekleeder Gods. Zijn hooge rang is een genadegift van God, hem geschonken door uitverkiezing, want als Aartsengel behoort hij niet tot de hoogste orden. Zijn karakter is dat van den heerscher, een natuur als een Alexander, Caesar of Napoleon. In hem is een fiere hoogheid, een bewustzijn van kracht, een sterk gevoel van eigenwaarde. Hij is een van die naturen, die wel breken kunnen, maar niet buigen. „Liever de eerste vorst in eenig lager hof, dan in 't gezaligd licht de tweede of nog een minder", zullen we hem hooren zeggen. Naast deze trekken en er aan verwant, kent Vondel hem hoogmoed en blinde eigenliefde toe en deze brengen hem ten val. Uit zijn eerste woorden spreekt bitterheid en ironie, nog geen verzet, laat staan opstand. Hij voelt zich voorbijgegaan, achtergesteld bij den jongstgeboren zoon van God, doch beseft, dat hij zich zal moeten schikken. „Hier geldt geen tegenspraak", zegt hij zeer terecht, doch er is een ander, die hem tot tegenspraak brengt. Dit is Belzebub, de vleiende hoveling, Lucifers booze geest, die zijn hoogmoed tergt en zijn eigenliefde prikkelt. In het nu volgende gesprek met Gabriël legt Vondel den vollen nadruk op een anderen trek in Lucifers natuur, n.1. zijn verblinding, een kenmerk van alle tragische figuren. Hij begrijpt niet, zegt hij, dat God zich met het stof verbinden kan, dat Hij „het hoogste wil knoopen aan 't allerlaagste". De Godheid vernedert en verkleint zich naar zijn meening, als zij zich „wil mengelen met menschen"; Gods besluit is dus tegen God zelf gekeerd en als hij er zich tegen verzet, strijdt hij eigenlijk vóór God. Het is vergeefsch, dat Gabriël hem er op wijst, dat hij Gods reden niet kent, dus niet oordeelen mag, dat hij berusten moet, ook al begrijpt hij niet; dat God „het punt waarin Zijn hoogheid is gelegen veel beter kent dan wij". Hij klampt zich vast aan zijn waan en beroept zich zelfs tegenover God op een recht, het eerstgeboorterecht. Zijn volgelingen zullen dit eveneens herhaaldelijk doen, doch men beseffe wel, dat al hun redeneeringen drogredenen zijn. Als zij spreken van „verandering van Gods wil", zien ze niet in, dat dit onjuist is, immers voordat de mensch geschapen was, kenden de engelen het doel van hun bestaan niet eens. Uit dit alles blijkt, dat Vondel in Lucifer de opstandige menschelijke natuur geteekend heeft, die oordeelt zonder kennis van het waarom, die twijfelt aan de rechtvaardigheid van het albestuur en vol verblinding en eigen-

Sluiten