is toegevoegd aan uw favorieten.

Marcus van Houwaert

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist de oorzaak van hun gebrek aan evenwicht. Vermoedelik begrepen zij ook bij instinct meer van de dingen van het leven, hadden door de cultuur van hun voorgeslachten een fijner onderscheidingsvermogen, naderden de dingen meer in hun wezen en voelden daardoor de veelzijdigheid van alles, die het zo moeilik maakte, een vast oordeel te vormen en daarbij te blijven. Dat noemden de anderen dan gebrek aan kracht, maar misschien was het juist een manifestatie van de hoogste, de zuiverste kracht van de geest....

Hoor, nu was het gesprek gevallen op een tentoonstelling, die ze alle drie gezien hadden. De Wilde en Berg hadden veel te waarderen, maar Greskamp viel hun theorieën woedend aan en schold op al de burgerlike, dooie, suffe rommel van de knappe schilders, die maar star bleven doorgaan met hun bekende, afgesleten ouwe vormen uit te buiten tot telkens weer nieuwe verkoopbaarheden. Schilderijen was een veel te mooi woord voor die vuiligheid: verkoopbaarheden waren het, meer niet. Trucjes om het publiek geld uit z'n zak te kloppen. Waardeloze prullen, waar geen glimp van het leven van deze tijd in zat, al noemden al die futloze, bloedloze suffers zich ook nog zo graag moderne mensen.

Het werd een stormachtig debat, waarin Marcus zich mengde, zodra de gesprekken een meer algemene betekenis kregen en toen op 't laatst weer de tegenstelling: bourgeoisie-volk opdook ging hij met diepe verbittering tegen de theoriën van Greskamp in en vocht bijna een uur lang met een woede als hing z'n leven er van af. Al de bitterheid, die hij in de lange maanden van vereenzaming en verdovend ploeteren had opgezameld ging van hem uit in een stroom van wrange woorden en felle argumenten, van hooghartige vooroordelen en trotse theoriën. Hij vertelde van wat hij gezien bad in de school en daar buiten en kwam telkens weer terug op z'n eenmaal opgevatte gedachte: daar was geen redding voor dit plebs, geen mogelikheid van verheffing, het was een verloren zoodje en alle moeite om het op te heffen was te vergeefs. Onze tijd was misselik sentimenteel, kwijlde van ethica. Na de kristelike dogma's wou men nou de rooie dogma's aan de wereld opdringen, maar zo min al de eerste de wereld ook maar een duim vooruit gebracht hadden, zo min zouden de laatste enige eigenlike invloed hebben. De mensen bleven mensen, met al hun deugden en fouten, en zolang men van hen geen braafheidsmechanismen maken kon, zolang zou de wereld een verwar-

112