Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

een hof in de Heesenstraat, drie hoven bij de Homburgerpoort, een hof met een ,,Ymmenhuisken" buiten die poort, en de renten van drie huizen, die nader met den naam van de destij dsche eigenaars zijln aangeduid *) Maar ook dat is niet bet eenige. Het b 1 ij k t n.1. uit de stukken van het Rijksarchief, dat de magistraat niet al leen de landerijen van het gasthuis verpachtte, enz., maar ook, dat hij de rekeningen afhoorde, en dat de oudste rekening reeds dateert van het jaar 1481. Van 1795—1810 geschiedde het afhooren van de rekeningen zelfs in pleno senatu, d.w.z. in een voltallige vergadering van het toenmalige gemeentebestuur, maar de rekening over 1810 werd pas afgehoord, zulks wegens de tijdsomstandigheden, in 1816 entoen geschiedde dat weer voor 't eerst door 't dage 1 ij s c h b e si t u u r« t.w. door de burgemeesteren van de destijdsche gemeente. Ook te Doetinchem werd dus bevestigd, hetgeen, zooals ik reeds eerder opmerkte,, ook elders bevestigd was, dat de Officie van den Heiligen Geest zich tot eene openbare instelling ontwikkeld had, die zoowel wat hare roerende als wat hare onroerende goederen' betreft, verantwoording schuldig was aan den magistraat, terwijl hare bestuurders, hetzij aanvankelijk de gasthuismeesters,.of later de rentmeesters, door den magistraat werden benoemd, ^u dit verband is het niet onbelangrijk, wat Mr. J. Everts opmerkt in zijn proefschrift over de verhouding van Kerk en Staat ten aanzien van de armenzorg. Pas toen de samenleving, in het einde der middeleeuwen, door de bedelplaag als het ware aan den lijve ging voelen, dat armoede een maatschappelijk verschijnsel is, en wel een maatschappelijk euvel, toen begon men het armwezen te organiseeren, en toen heeft men getracht de liefdadigheid, reeds zoo werkzaam ten bate van het eigen zieleheil, tevens maatschappelijk nuttig te maken. Het initiatief daartoe ging niet uit van de Kerk.... Het lag volstrekt niet op den weg der geloovigen, om te onderzoeken, of de arme ondersteuning verdiende of niet, of hij de aalmoezen doelmatig gebruikte of niet. „Geef een ieder die U smeekt" zegt Christus, en, verklaart de Canon, ,,wie „ieder" zegt, sluit niemand uit." Onderscheid maken tusschen den 'een of den anderen arme is gevaarlijk. Als Abraham onderscheid gemaakt had, zou hij

l) Met Meester Johan wordt bedoeld Johan van Heze, genaamd Gielen, Kanunnik van de Apostelkerk te Keulen, vicarius te Luik, overleden te Utrecht, de zoon van Gosen Gielenszoon van Heze, die te Doetinchem woonde (Heezenstraaf ?) en daar eigenaar was van verschillende perceelen of van jaarrenten, waarmee andere perceelen waren belast.

wellicht de engelen van zijn deur hebben gewezen *):.,.. Het initiatief tot een doelmatige armenverzorging ging uit van de b u r g e r 1 ijke overheid, tot wi.er sfeer het oeconomisch verschijnsel behoorde." Ik zal later gelegenheid hebben, om op het verdere initiatief van de burgerlijke overheid terug te komen. Mij voorloopig echter tot Doetinchem bepalende, wil ik, na hetgeen ik reeds over den Rozengaard verteld heb, thans nog een oogenblik spreken over de Beselhorst. Evenals de Rozengaard, behoorde ook de Beselhorst aanvankelijk aan de familiën de Rode van Heeckeren, en gelijk de Rozengaard in 1397 door Evert de Rode van Heeckeren, en familie, verkocht werd aan Derik Noerman, zoo werd in 1408 de Beselhorst door Willem de Rode van Heker, en diens echtgenoote, opgedragen aan Gerde Scarpenborg en diens vrouw Griete. Sedert schijnt er iets bijzonders gebeurd te zijn, doch wat er gebeurd is, wordt in de stukken niet vermeld. Immers drie jaar later, in 1411, wordt de halve Beselhorst door Beatrix van Heteren, en hare dochter Griete, opgedragen aan Lysbet van der Horst Raebdendochter, terwijl de tweede helft ook aan Lysbet van der Horst Raebdendochter wordt opgedragen, maar door iemand anders, n.1. door Geryd Scarpenborg en diens vrouw Katberijne. Diezelfde Lysbet van der Horst Raebdendochter had bovendien in 1412 de opdracht ontvangen van een slag, gelegen bij de Roesengaerde, en afkomstig van Claes toe Averstege 2) terwijl ze, afkomstig van Egbert van Broekhuysen, de opdracht ontvangen had, van een stuk land, dat „die hoge Haere" genaamd was. Intusschen stierf Lysbet van der Horst Raebdendochter in of kort voor 1437, althans zoowel de erven van de eene, als die van de andere helft bovengenoemd, doen ieder voor zich opdracht van de

1) Mr. Everts haalt hierbij aan: „Omni petenti inquit Christus, abste tribue, et qui omne dicit, inquit canon, nihil excludit.... Si enim Abraham, inquit Chrysostomis Scrutator fuisset circa refugientes ad se nunquam angelos hospitio reoepisset, sed eos cum reliquis repulisset." Zie Wytsius: „De continendis et alendis pauperibus."

2) Mogelijk is dit dezelfde slag, Idie in het oudste stuk over het Gasthuisfonds genoemd wordt (1341) als zijnde gelegen nabij het goed Oversteeg, en die toen door de familie Theodorius de Haep verkocht werd aan Gerhardus van Overstege. De familie de Haep zelf woonde een heel andere buurt uit, n.1. in Dichteren, vermoedelijk bij Wijnbergen, waar zich oudtijds de Roomsche statie bevond (de kerk te de • Haap) en waaraan; misschien wegens eene dialectische verbastering, thans nog de naam „De Hoop" herinnert, die aan de daar liggende gronden gegeven is.

Sluiten