is toegevoegd aan uw favorieten.

Indische spoorweg-politiek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 101 -

10 % van de bruto-ontvangsten daarvoor afgezonderd. Daarvan heeft men eerst een reservefonds gevormd tot een bedrag van drie ton en toen dat vol was het overvloeiende besteed om obligaties van de Maatschappij terug te koopen, feitelijk ook een soort afschrijving. Wanneer men nagaat hoeveel dat in den loop der jaren is geweest met inbegrip van de rente, en na aftrek van hetgeen daaruit voor vernieuwing is besteed, komt men tot een cijfer, dat zeker niet ver van 3 millioen verwijderd is, zoodat die lyn in de boeken der Maatschapph zeker .— maar dat cyfer is niet precies in de staten te vinden — niet veel hooger behoeft te worden geschat dan ruim 12 a 13 ton. Daarvoor geven wy op het oogenblik ƒ 10.600.000. Ik voeg er dadelijk by, met dat cyfer alleen hebben wy niet te rekenen. Wy hebben te vragen, wat de redelijke waarde is, waarvoor aangekocht moet worden. Alleen .wys ik er op, dat steeds noodig is geoordeeld een zeer sterke storting in een dergelijk vernieuwingsfonds, en dat dit fonds, op het oogenblik dus blijkbaar in welken vorm dan ook ongeveer 3 millioen bedragende, door den Staat niet wordt verkregen. Dat is een belangrijk punt, waarop ik straks terugkom..

Ik wil dus nu het standpunt innemen, dat ook de Regeering inneemt en my houden aan de exploitatiewinst in 1908. De Regeering is van 1907 uitgegaan en heeft toen een schatting gemaakt van 10 % meer om op 1908 te komen. Laat ik nadrukkelijk het cyfer voor 1908.nemen, zooals het in het verslag voorkomt. Ik herinner er nogmaals aan, dat de exploitatie-winst van 1908 is ƒ 388.123 en in 1880 was ƒ 393.984, dat men toen 6 millioen een goede som vond en nu ƒ 10.600.000 vraagt.

Wie reimt sich das zusammen? Hoe is dat mogelyk? Is de lyn dan op het oogenblik zooveel beter? Dat is niet het geval. In 1880 moest er 5 a 6 ton besteed worden tot verbetering en op het oogenblik — men kan het lezen in de Memorie van Antwoord — is meer dan 5 ton noodig om dadelijk de lyn voor het gebruik van de Staatsspoorwegen geschikt te maken, nl. ƒ 317.000 voor het zwaarder maken van het spoor, ƒ 73.000 voor verbetering van het rollende materieel, ƒ 112.000 alleen voor verbetering van een paar stations o.a. te Weltevreden. Dat bedraagt ƒ 502.000 en daarbuiten staan' nog verbeteringen aan verschillende stations, die ook noodig zyn.

Is de lijn dan op het oogenblik beter? Dat kan natuurlijk onmogelijk het geval zyn. De lyn is 30 jaar langer in gebruik dan in 1880 en heeft onder dat gebruik natuurlijk geleden.

Heeft de lyn — en dit is een punt van groot belang — dan op het oogenblik betere vooruitzichten dan in 1880? Ook dat is niet het geval, want toen kon, door de uitbreiding van de lyn van Buitenzorg uit, een groot en toenemend verkeer over de lyn Batavia—Buitenzorg verwacht worden. Dit verkeer heeft men ook gekregen; men heeft wel schommelingen gehad — de crisis van 1887 veroorzaakte byv. een heel lage netto en exploitatiewinst van ƒ 305.000 — maar men heeft gaandeweg deze