is toegevoegd aan uw favorieten.

Studiën en aanteekeningen over Nederlandsche politiek (1909-1919)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IIO

KIESRECHT EN OUDERDOMSPENSIOEN.

laveerkunst ontzeilen zal. Zij doet het best, er welbewust op af te gaan.

Eene socialistisch-rechtsche combinatie kan haar opwachten bij de eerste militaire begrooting de beste (al is wel niet te verwachten dat het juist bij de eerste wezen zal). Zij begrijpe dan wel dat als het • eenmaal zoo ver met haar crediet gekomen is, dat zulks een verbond tegen haar wordt aangegaan, het vervangen van een krachtig door een slapper of meer obscuur bewindsman aan het hoofd van een der militaire departementen slechts uitstel van executie beteekenen zal (zie Staal—van Rappard). Zij moet, mèt de militaire ministers die zij eenmaal de plaats in haar midden heeft waardig gekeurd, durven staan of vallen. Eene andere houding zal haar gezag bij de natie ondergraven en haar een roemloos einde bezorgen, terwijl, indien einde er zijn moet, het een roemrijk wezen kan.

De laag die wij noemden zal der regeering niet worden gelegd, indien haar vijanden den indruk hebben dat zij onder gunstige omstandigheden een beroep zou kunnen doen op het volk. Die gunstige omstandigheden te scheppen, heeft zij in de hand.

De natie verwacht sinds lang een ministerie karig in woorden en rijk in daden. Zoowel over kiesrecht als over ouderdomsverzorging is thans zooveel gepraat dat er ieder de walg van steekt. Het komt er thans op aan, beslissingen uit te lokken op weinige maar cardinale punten. De kiesrechthervorming dus niet verdronken in eene „algemeene" grondwetsherziening, waarvan het voordeel problematiek is en het nadeel voor de hand ligt. Het ministerie moet kiesrechtministerie durven wezen; het moet zijn denkbeelden over die materie gevormd hebben en ze van geen adviseurs in of buiten de Kamer meer verwachten. Het bespoedige de beperkte grondwetsherziening zooveel het kan. Het wage de kans, of de Eerste Kamer het algemeen kiesrecht zal durven verwerpen. Doet zij het, dan hebben wij binnen zeer korte jaren een Eerste Kamer die het aanneemt.

Stelt men, gelijk plicht is, bij de grondwetsherziening al het andere achter, dan zal er amper tijd zijn voor meer dan de dringend noodige vereenvoudiging van Talma's verzekeringswetten en de verschaffing eener ouderdomsrente aan de „fatsoenlijke oudjes", ex-loonarbeiders of niet.

Voor die zaken, mits snel en flink aangepakt, is thans zonder eenigen twijfel in de Tweede Kamer eene meerderheid, en als