is toegevoegd aan uw favorieten.

Zondvloed

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Liesebette, de kindsche, die niemand ooit anders gekend had, deed maar niets als 'klagen:

„Jezus erbarm u! Jezus, o Jezus erbarm ui"

Bij haar zat de pastoor en tikte haar zachtjes bemoedigend op de krakerige handen.

„Jezus zal zijn erbarmen hebben. Wees gerust. Hij zal ons niet verlaten. Maar zwijg een beetje, de anderen maken zich ongerust."

Dan, nog wat veiliger bij haar schuivend', in een vertrouwelijk hoekje, Zooals men met kinderen1 doet, zeide hij:

„Wij weten het immers samen wel, Liesebette. God ziet met zijn klare oogen ook in dezen kelder. Waarom zullen we dan klagen? Zie, 'het is om de anderen niet bang te maken, die een slecht geweten hebben. Een goed geweten' is een veilige troost. Wie rustig leefden kunnen rustig afwachten. En als het moet ook rustig heengaan, m'n dochterke."

Meteenen, 'hij had zijn woord niet voleindigd, kloeg de kindsche weder weenend uit, met lang-uitgehaalde zwoegende gieren:

„Jezus, erbarm u! Jezus, o Jezus erbarm u toch!"

„Menschen" — wendde de pastoor zich onthutst van haar af — „menschen houd u rustig! Het geweld zal ons niet treffen. Hier in Gods woning wachten wij veilig af."

„Gods woning 1 Gods woning ligt in puin!" scheeuwdè eene stem ergens uit de gewelven. „Hahaha! Gods woning 1 Een puinhoop!"

„En zóó zal ze ons beschermen!' verzekerde de goede priester met zachtmoedige nadrukkelijkheid. Wat kunnen ze méér vernielen? Het geweld heeft zijn werk gedaan, ge kunt asch niet verbranden en wat eenmaal op dè aarde ligt niet meer laten vallen. De puinhoop boven onze hoof-, den beschut en' bewaart ons."