is toegevoegd aan uw favorieten.

Latijnsche grammatica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 81. 102

careo1 carui cariturus carere, missen.

iaceo iacui iaciturus iacere, liggen.

doleo dolui doliturus dolere, smart hebben.

pareo parui pariturus parere, gehoorzamen. U.

valeo valui valiturus valere, gezond zijn.

doceo docui doctum docere, onderwijzen** £Zcud

miseeo miscui mixtum miscere, vermengen.

torreo torrui tostum torrere, roosteren.

cënseo cënsui cënsum cëhsere, schatten, oor-

deelen.

teneo tenui — tenere, houden.

arceo arcui — arcere, afweren.

timeo timui — timere, vreezen.

sorbeo sorbui — sorbere, opslurpen.

Evenzoo zonder supinum bijna alle intransitiva, bijv.:

egeo, indigeo, gebrek lijden. rigeo, verstijfd zijn.

êmineo, uitsteken. rubeo, rood zijn.

flöreo, bloeien. sileo, zwijgen.

horreo, huiveren. studeo 3, zich toeleggen op.

lateo, verborgen zijn. stupeo, verstomd staan.

niteo, glanzen. ^ torpeo, verstijfd, verlamd zijn.

oleo, rieken. tumeo, gezwollen zijn.

palleo, bleek zijn. vigeo, frisch, krachtig zijn.

pateo, openstaan. vireo, groen zijn.

enz.

Slechts den praesensstam vormen:

•aveo, begeerig zijn. maereo, treuren.

\^ careo aliqua re, ik ontbeer iets.

egeo aliqua re, ik heb iets noodig. ' stndeo arti, ik leg mij toe op, wijd mij aan een kunst-