is toegevoegd aan je favorieten.

Het burgerlijk wetboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

302

DERTIENDE TITEL

Art. 323.

«De lijfstraffelijke rechtsvordering wegens het misdrijf van verduistering van staat kan niet worden aangevangen, voor dat het eindvonnis over het geschil van dien staat is uitgesproken.

Het staat evenwel aan het openbaar ministerie vrij, om, wanneer de belanghebbende partijen stilzitten, een lijfstraffelijke rechtsvordering uit hoofde van verduistering van staat aan te vangen, mits er een begin van bewijs bij geschrifte, overeenkomstig artikel 320, aanwezig zij, en over het aanwezen van dat begin van bewijs aanvankelijk zij beslist.

In het laatste geval zal de voortzetting der openbare rechtsvordering door geen burgerlijk geding kunnen worden geschorst.»

Men zou in de uitlegging van dit artikel geene zwarigheden hebben ontmoet, wanneer men het altijd in verband met het vorige had verklaard. Art. 322 noemt alleen den burgerlijken rechter bevoegd, om een geschil over den staat der personen te beslissen. Hieruit vloeien twee gevolgen voort: 1°. Zoolang er nog geen burgerlijk geschil is aanhangig gemaakt, kan het openbaar ministerie geen strafactie instellen, die op de praejudicieele quaestie van den staat zou gegrond zijn. Het kan van geen verduistering van staat spreken, zoolang het niet door hetgeen bij den burgerlijken rechter voorvalt opmerkzaam is gemaakt, en te weten is gekomen, dat er over den staat van eenigen persoon getwist wordt. 2°. Al is er ook zulk een burgerlijk geschil aanhangig gemaakt, kan de strafactie nog niet worden ingesteld, vóór het eindvonnis over dat geschil gewezen is. Het is alleen over dit geval, dat ons artikel spreekt. Hetgeen ik onder no. 1 vermeldde kan niet uit art. 323, maar alleen uit art. 322 worden afge-