Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als knaapje van vijf jaar werd Isaac reeds meegenomen naar de synagoge, om daar ten aanhoore van de gemeente, in de Hebreeuwsche taal het recitatief van een gedeelte der Heilige Schrift op te zeggen.

Wees dit al op een zeldzaam vluggen aanleg, zijn vroege ontwikkeling kwam nog meer voor den dag, toen hij, nauwlijks acht jaar, reeds tot de latijnsche school werd toegelaten. Daar verbaasde hij zijn leermeesters door zijn buitengewone gaven en groote vorderingen. En op dertienjarigen leeftijd deed hij eindexamen, waarbij hij een door hemzelf vervaardigd latijnsch dichtstuk reciteerde „Over de twaalf werken van Hercules".

Zoo werd Da Costa reeds in 1811 student aan het Atheneüm te Amsterdam.

Bij den overgang van het Gymnasium tot het Atheneüm voelde de vroegrijpe student zich echter allesbehalve gelukkig. Zijn aangeboren somberheid werd drukkender dan ooit. Hem overviel een verdriet, dat gedurende eenige jaren den bloei en groei van zijn lichaam ruïneeren, en de kracht van zijn geest en karakter ontwrichten zou.

Van kindsbeen af had hij iets gevoeld van Augustinus' woord: „Ons hart is naar U toe geschapen, o God I" Maar te midden van het veldwinnend ongeloof in zijn omgeving, had het hem moeite genoeg gekost om zijn geloof aan God en onsterfelijkheid te redden uit de aanvallen van Voltaire en de Encyclopedisten.

Soms gaf hij zich geheel aan een vrome, godsdienstige stemming over, verrichtte de voorgeschreven gebeden, en hield zich aan de geboden en gebruiken van zijn joodschen godsdienst. Op een anderen keer verviel hij daarentegen in twijfelingen en had hij een afkeer van alle uiterlijke plechtigheden.

De wijsbegeerte der achttiende eeuw, die met alles spotte, verfoeide hij. Ernstig voelde hij zich opgewekt tot nadenken en navorschen. En hij deed zijn uiterste best om tot een vaste overtuiging te komen omtrent het bestaan van God, het wereldbestuur en de onsterfelijkheid der ziel.

Maar al de geschriften, die hij raadpleegde tot oplossing

Sluiten