Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier zonen was Hugo Cornelisz. de Groot, de grootvader van den grooten Hugo; hij Jiet twee zonen na, t.w. Cornelis en Jan de Groot, de oudste hoogleeraar aan de Leidsche Hoogeschool dadelijk na hare oprichting; de andere te Douai tot dokter in de philosophie gepromoveerd, later te Delft weergekeerd, waar hij het ambt van burgemeester bekleedde. Zijn vrouw was Alida van Overschie, mede uit aanzienlijken huize, en van beider kinderen is Hugo de Groot zeker wel zoo voor de vaderlandsche geschiedenis als voor de wetenschap, ook over de grenzen van het land, de meest bekende, al hebben zijn broeders niet nagelaten zich waardige afstammelingen van het geslacht te toonen.

Hugo de Groot bleek reeds vroeg een bijzondere knaap, al mag aangenomen worden dat het hem is gegaan gelijk velen „wonderkinderen", wier faam in later tijd zoo groot geworden is, dat men verhalen heeft moeten bedenken om daaraan naar eisch te voldoen. Een vaststaand feit echter is het, dat hij op reeds elfjarigen leeftijd ter Hoogeschool te Leiden ging, waar de Heer van Noordwijk, Jacob van der Does, hem door een deftig Latijnsch gedicht zijn genoegen over zijne komst te kennen gaf, welk gedicht vooral daarom merkwaardig is, wijl het doet zien dat inderdaad zijn aanstaande leermeesters reeds begrepen met een bijzonderen knaap te doen te hebben. Dat de jaren, die Grotius aan de Leidsche Hoogeschool doorbracht noch voor hem zeiven, noch voor zijne leermeesters, ongemerkt zijn voorbijgegaan, kan zonder meer worden aangenomen, en de geschriften van zijn tijdgenooten zijn er op uit om ons dit in de verhevensté bewoordingen te schilderen; in de deftige, maar daarom lang niet immer sobere taal, die aan deze levensbeschrijvingen eigen is, vinden we dit in een boekwerk, dat een ongenoemde aan het einde der 17e eeuw samenstelde uit de gegevens, die vooral Brandt en van Cattenburch ons over zijn leven hebben ter beschikking gesteld, op de navolgende wijze vermeld:

deez Kweektuin der geleerdste verstanden, te dier tyd verheerlykt door de grootste mannen der Christenheid, als J. Scaliger, Fr. Junius, L. Trelcatius, P. Merula, R. Snellius, C. Clusius, B. Vulcanius, C. Pynakker en zrjn Oom Corn. de Groot, nevens andere Letterhelden, oeffende zich de

383

Sluiten