Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„geven. Doch spaar hen, die zijn als ik ben!"1) Dezelfde verschijning ziet hij te Jeruzalem te midden van de Joodse priesters2). En 'tis wederom dezelfde stem die tot hem spreekt, uit het Paradijs, wanneer het einde der aarde bereikt is: „Ik ben het, die U alle volken der aarde in Uw macht heb „gegeven. Ga heen en keer weder ; uw levenstaak is volbracht !"3) Daarop werpt hij, die dit uitspreekt, hem de vermaarde steen toe, die de gedaante van een menselik oog heeft, en die, gewogen, alle gewicht te zwaar blijkt, maar bedekt met een weinig stof, snel de schaal doet rijzen, en het zinrijke s y m b o o 1 in zich besluit, dat het o o g van de 1 e v e n d e mens nimmer te verzadigen is, maar dat een weinig aarde voldoende is om het voor eeuwig te sluiten *). Nog klemmender wordt de vraag : wie i s deze Alexander ? Terwijl hij bij G a u t h i e r in dienst staat van een filosofie, waarin de geschiedenis de voorbeelden aanwijst van de wisselvalligheden hier beneden, voegt Maerlant in zijn bewerking aan de historiese inhoud de legendariese Paradijstocht toe, om met dit zinvolle symbool aan het fatalistiese motief een grondtoon te geven, en wordt in zijn arbeid aan de Macedonieër, öf door de aard van de door hem gememoreerde bijkomstigheden, óf naar een eigen beurtelings wankele en vastere overtuiging, een betekenis toegekend, die hem zo niet vereenzelvigt met Christuss), hem dan toch als een door God gezonden voorafschaduwing van Christus tekent. Ook deze gezondene gelooft sterk aan zijn roeping. Ook hij gelooft de zoon des Vaders te zijn. Hij zal doordringen tot het Paradijs, doordringen tot de Hel, en er Lucifer bekampen. Wij weten hét, dat hem als sterveling geen toegang tot het Paradijs gegund is, en dat zijn begeerte hem tot een oosdeel strekt. Maar wij weten tevens, dat ook zijn ure voorspeld wordt, en dat hij mede op de jeugdige leeftijd een drie en dertig jaar moet sterven. En als de ure van zijn verscheiden zal komen, zegt ook hij tot de zijnen deze woorden tot afscheid : „Genoeg is mijn heerschappij op deze

*) I, vs. 1322—1392. !) III, vs. 743—772.

3) IX, vs. 1286—1300. ♦) IX vs. 1301—1348. *) Verg. het Alexander-epos bij Firdusi in: F. Spiegel. Die Al ex ander-sage bei den Orientalen. Leipzig 1851.

Sluiten