Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze stond op, wilde hem de hand op de schouders leggen maar hij week — instinctmatig — terug.

— „Ga je van me weg? Mag ik je niet meer aanraken?"

— „Dat is uw eigen schuld, dat papa zoo doet," bitste Lies, geërgerd door die vriendelijke gemoedelijkheid, die den schijn van onschuld gaf.

— „Ga weg, kind I" Gebood de vader mat. „Laat me alleen met je moeder 1"

Er lag 'n slapheid over hem; 'n zoo smartelijke vermoeidheid, dat het Lies tot in 'r hart raakte.

— „Nee papa! Ach nee!" bad ze.

Alsof hij 'r dadelijk weer vergeten was, stond hij daar roerloos in gedachten verzonken — bij zijn zwijgende vrouw.

— „Nora!" beval hij.

Als door zijn blik gedwongen, wendde ze haar gelaat naar hem toe. -

Ze knipte nerveus met 'r oogen; haar mond vertrok; zweèg.

Toen — werd hij ontzettend opgewonden — öm dat zwijgen. En hij greep 'r handen; kneep ze stevig vast.

— „Nora, nee! Maak me niet zoo ongelukkig. Zeg

dat het niet waar is. Nog wil ik jou gelooven, en jou, jou alleen. Zeg! dat het niet waar is," bedelde hij haar af. „Nora, alsjeblieft," en de weeke, gevoelige man drong

zich zelf op het is niet waar; niet: je bent te lief,

te goed voor me geweest. We waren te gelukkig samen.

— „O! papa!" verweet Lies gekrenkt. „Ik heg niet. Zoó slecht ben ik niet, papa!"

Jaloersche hart. 6

Sluiten