Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII

Naar haar eigen opvatting was de gewezen mevrouw Verschoore gelukkig.

Er was een minnaar — een nieuwe, laaiende passie.

Een „goed" vriend, die kwam, als het dagmeisje vertrokken was, een jonge man, wien — ondanks zijn vurige teederheid tot haar ~ zijn maatschappelijke reputatie boven alles ging, zoodat hij als een dief in den nacht haar woning binnensloop.

Maar de geboren minnares vernederde dit niet, zooals het vele andere vrouwen vernederd zou hebben.

— „Je moest nog veel eenzamer wonen. Meer geïsoleerd," merkte hij op. „Het zou hoogst vervelend zijn, als......"

— „Ja, ja!" knikte Noor. „Dat begrijp ik." En ze dacht vergoeilijkend:

„Een man moet toch praktisch zijn, niet waar?"

Nu ze hem bij zich had, leefde ze weer op, vergetend hoe ze gemopperd had, in de saaie middaguren, waarin ze lusteloos op den divan lag.

Want een ergernis, die gaandeweg kwelling werd.

Sluiten