Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel mijne heeren, ik zou er goed aan toe zijn geweest, als ik het niet ontdekt had! De zaak is dat ik dien steen op meer dan honderd dukaten schat, omdat hij een goed middel is tegen maagpijn." De oude bezwoer herhaaldelijk dat hij dien steen niet in de kap had gelegd. Daar het tijd was om te vertrekken, maakten de schavuiten de rekening van het gelag op, welke op zestig realen (33) kwam te staan. De studenten zeiden: „ Hoe zullen wij u in Alcala hebben te dienen, want wij dragen bij in de vertering." Wij ontbeten een weinig en de oude man nam zijn knapzak, en opdat wij niet zien zouden, wat hij er uithaalde om niet aan iemand iets behoeven te geven, greep hij een bevuild stukje kalk, dat hij haastig in den mond deed en met de eenige kies en met 'n halve tand, die hem restten, trachtte naar binnen te werken, maar het scheelde weinig, of hij verloor ze beiden. Hij begon te spugen en te doen, alsof hij moest braken. Wij allen gingen naar hem toe, de geestelijke vooraan, vragend wat hij had. Zonder te antwoorden ging hij geweldig te keer, vloekte en gebaarde of hij zijn ziel aan den duivel wilde- verhandelen; den knapzak het hij vallen. De student naar hem toegaande zeide: „Wijk van mij, Satan, ziedaar het kruis!" De ander opende een brevier en beiden deden hem gelooven dat hij van den duivel was bezeten, totdat hij eindelijk zeide, wat hij had en den wensch te kennen gaf zich den mond te spoelen met wat wijn, dien hij in een flesch bij zich had. Ze heten hem zijn gang gaan; hij opende de flesch en een weinig er van in een klein glas schenkend, kwam er met wol en werk een vocht uit zóó harig en ruig, dat het niet drinkbaar was. Toen begon de oude zijn geduld te verhezen, maar hoorende

Sluiten