Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of het voor hem expresselijk was gemaakt, en niemand die hem zag met het koord om den nek zou denken een ter-dood-veroordeelde vóór zich te hebben. Hij reed met eene luchthartige onverschrokkenheid kijkend naar de ramen en buigingen makend tot hen die hun werk hadden laten staan om hem te zien voorbijgaan; tweemaal draaide hij de knevels op. Hij gaf het verlangen te kennen dat de biechtvaders die bij hem hepen, zouden uitrusten en hij prees hen voor een of ander treffend gezegde. Aangekomen bij de galg zette hij een voet op de ladder en ging naar boven, niet op handen en voeten, noch langzaam, zooals anderen in den regel doen; ziende dat een van de sporten was gebarsten, keerde hij zich om tot de gerechtsdienaren en vroeg of ze dit wilden doen herstellen ten gerieve van een die na hem kwam, want wellicht was een ander niet zoo moedig als hij. Ik kan niet in woorden brengen de vele blijken van deelneming die hem werden gegeven. Boven op de ladder gekomen ging hij zitten, trok de plooien van zijn kleed wat naar achteren, nam het koord en deed dat om het strottenhoofd en bemerkend dat de Jezuïet (51) woorden van vermaan tot hem wilde richten, wendde hij zich om tot dezen, zeggend: „Ik neem den wil aan voor de daad, zeg mijnentwege maar wat op uit het credo en laten wij er spoedig mee eindigen, want ik zou niet den schijn op mij willen laden van zwaar op de hand te zijn." Alzoo gebeurde het; hij vroeg mij nog om zijn kap een weinig op zijde te zetten en zijn speeksel af te vegen, wat ik ook deed. Hij viel in den strop zonder de beenen in te trekken noch gebaren te maken; zijn gezicht bleef zoo ernstig-plechtig, dat men niets liever voor zich zeiven zou wenschen. Ik deelde hem in vieren

Sluiten