Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zuster van haar verloofde leerde den man, die de schatkamer bewaakte, kennen, en ze kregen elkander lief. Hij was een weduwnaar met een kind, een meisje van negen jaar. Zoo ontmoette de vrouw plotseling dezen man, en dikwijls kwam ze bij hem aan huis. Eenige maanden lang, steeds maar in haar brein de woorden bewarend en behoedend, dat zij niet ontsnappen zouden, sprak ze over andere dingen, en hij kreeg vertrouwen in haar. Hij zocht dus achter haar vraag geen kwaad, toen zij eindelijk zeide:

„Wanneer je nu getrouwd bent — zal dan je vrouw dé schatkamer mogen zien?"

Hij lachte.

„Ik laat liever geen vrouw de schatkamer zien, tenzij op last van mijn heer. De vingers van de vrouwen beven te veel."

„Maar je eigen vrouw ..."

Ernstig dacht hij na.

„Ik zou 't niet doen, of mijn heer moest me oorlof geven.'' „En je eerste vrouw dan?"

„Mijn eerste vrouw heeft de schatkamer nooit gezien. De eenigste vrouw, die er in- en uitloopt is mijn dochtertje. Zij weet 't geheim van het slot, en ze behoeft me nooit te vragen, of ze in de kamer mag of eruit."

Verder werd er niet meer over gesproken, doch na dezen tijd zag men de vrouw en het kind altijd tezamen, hand in hand gaande door de velden, pratend en lachend. Meestal had de vrouw iets voor 't kleine meisje: een snoeperij of een vrucht, en ze kende nog vele spelletjes van vlugheid en slimheid. Ook vroolijke liedjes kon ze zingen, en alle vogels wist ze na te doen in hun zang of slag. Wat was een dag voor 't kind, als ze met de vrouw ging? De vader had geenerlei wantrouwen.

„Kinderen met elkaar", dacht hij, als hij ze tezamen zag.

't Was op een zomeravond, dat zijn verloofde hem vroeg, of hij met haar op het meer wilde gaan spelevaren, maar eerst zeide hij zijn dochtertje, dat er niemand in de

Sluiten