Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal ik mij aanhem gevangen geven. God verleene mij hulpe.

Hij zwoer, dat hij tot den koning zou gaan. Ferguut vroeg den ridder, dat hij eerst zich van zijn wonden zou doen genezen, vóór hij vertrok, en hij besteeg zijn paard. Hij reed dien dag door een woest land, zonder avonturen te vinden. Daarna wendde hij zich terug naar zijn vroegeren gastheer, den oom van Galiëne, en in schemerenden avond naderde hij het kasteel. Onder de poort stond de oude ridder, een valk in zijn hand. In de zaal waren vele ridders en vrouwen verzameld, die weenden om Galiëne. Ferguut zag den goeden, grijzen man aan, die daar stond met zooveel angst en smart op zijn gelaat, en hij riep uit: „Zeg mij, waarom gij zoozeer lijdt Al mijn vreugde —", zeide de oude ridder met doffe, uitgeleefde stem, „die ik vroeger had, is heen, want Galiëne is gevlucht. Nooit kwam het in mijn gedachte, dat zij vlieden zoude. Heb ik haar iets misdaan? —"

Zij zwegen, en met moeite bedwong zich de edelman. Hij wees met hoofsch gebaar naar zijn slot.

„Blijf heden bij mij, heer ridder, de nacht komt al nader, spreken wij over andere dingen. Uw wapenen wegen zwaar, gij hebt met den zwarten ridder gestreden. Uw harnas is vol deuken, uw schild is gebroken. Vertel mij, hoe de wedkamp was."

Thans ook leed Ferguut, hij wist niet waarom. Een nevel was er voor zijn oogen, en hij had het gevoel, dat zijn strijd vergeefsch was geweest. Zijn strijd? Zijn strijd was achter hem, en wat vóór hem lag, was zijn liefde. Hij wilde niet meer hooren van zijn strijd en vol angst vroeg hij: „Heer — zeg mij — waar is Galiëne?" „Ik weet het niet — waar zij is heengegaan, doch deel mij mede, wat er met u is geschied."

„Ach — waarom is ze heengegaan? Dat zij weg is... verstaat gij mij —? doet me pijn —"

Ze stonden tegenover elkander, twee mijlen had men kunnen gaan, zóó langen tijd, elkaar vragend, zonder

Sagen en Legenden raM Nederland. '9