is toegevoegd aan uw favorieten.

De bezoldiging der Rijksambtenaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•wezen — en dit niettegenstaande de Regeering op den „noodtoestand" van de hier bedoelde groep van landsdienaren gewezen had.

Deze „noodtoestand" was echter niet in 1911 ontstaan; hij bestond reeds veel langer, doch had zich alleen m dat jaar plotseling zeer acuut geaccentueerd.

De latere hoogteeraar Krabbe, die in 1884 op een proefschrift, aan den burgerlijken staatsdienst in Nederland gewijd, gepromoveerd was, had daarin reeds te kennen gegeven, dat de eigenaardige pensioenregeling der Rijksambtenaren het gevolg is van een gunst, die de Staat met het oog op de lage bezoldiging, welke de ambtenaren tot geen^grootere bijdrage in staat stelt, aan hen bewijst. Hu' voegde daaraan toe, dat de vaderlijke staatszorg zich liever in hoogere bezoldiging moest openbaren, in plaats van het creëeren eener gebrekkige regeling voor den ouden dag.

Het gebeurde in 1911 illustreert zeer sterk welke offers van de sphatkist gevraagd zouden zijn, wanneer de financiëele positie van het Rijkspersoneel werkelijk in overeenstemming zou zijn gebracht met de eischen, welke billijkerwijs aan hun levenspeil konden worden gesteld. Een simpele verhooging van ƒ 100.— per ambtenaar zou reeds 3 a 4 millioen vergen, zoodat er wel moeilijk een Minister van Financiën gevonden zou zijn, die zijn positie in de waagschaal had willen stellen door het indienen van een ontwerp, waarvan het lot bij de toenmalige mentaliteit niet moeilijk te voorspellen viel. Bovendien was in dien tijd van organisatie onder de ambtenaren nagenoeg geen sprake; in elk geval traden pleitbezorgers voor hun belangen uit hun kringen zeer weinig naar voren. Toch behoeft niet te worden betwijfeld, of reeds jaren voordat de door Minister de Geer als te hoog gewraakte bezoldiging ingevoerd was, werd door het Rijkspersoneel bittere armoede geleden. De legendarische Haagsche „houten ham" heeft naar alle waarschijnlijkheid zijn oorsprong te danken aan de gecamoufleerde armoede, welke het leven van honderden ambtenaarsgezinnen verbitterd heeft.

Het wekte dan ook geen verwondering, dat, toen de oorlog uitbrak, de Regeering zich genoopt zag, hoewel op den gewonen vervaldatum per 1 Augustus de traktementen over Juli waren uitgekeerd, onmiddellijk reeds de traktementen