is toegevoegd aan uw favorieten.

Justijn de Martelaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakte dat wie dit in acht nam deelgenoot van de onsterfelijkheid zou worden, doch als hij het overtrad van het tegenovergestelde 1). Daar dè mensoh aldus ontstaan was en terstond tot de overtreding kwam, verkreeg hij natuurlijkerwijze het verderf. Doch daar bij de natuur het verderf gekomen was, was het noodzakelijk dat wie hem wilde behouden het verderf aanbrengend wezen deed verdwijnen. Het was evenwel niet (mogelijk) dat dit op een andere wijze geschiedde, tenzij het leven krachtens de natuur vervlochten werd met wat het verderf had aangenomen, terwijl het dit verderf deed verdwijnen en overigens wat (den dood) had aangenomen als onsterfelijk handhaafde. Daarom moest het Woord in een hchaam ontstaan, opdat het ons zou bevrijden van den dood, het verderf krachtens de natuur. Want indien, gelijk gijlieden zegt, door een wenk slechts hij onzen dood had belet, zou de dood niet vanwege een wilsbesluit optreden, ,en zouden wij desniettemin weer vergankelijk zijn, daar wij het verderf als tot onZe natuur behoorende in ons omdroegen2).

VI

God zullen wij niet benadeelen als wij hem niet erkennen, maar onszei ven zullen wij berooven van de hef de tot Hem 3).

VII

Het hcht zal nooit duisternis zijn, zoolang het hcht is, noch zal ooit de waarheid der feiten bij ons weerlegd worden. Immers, zij is waarheid en sterker dan deze is niets *).

1) Tot zoover ook bij Joh. Damasc. Sa era parall., zonder vermelding van herkomst. .

2) Uit Leontius tegen Eulychianen en Nestorianen, op naam van Justinus en als uit diens geschrift tegen de Grieken. Betreffende den gedachtengang verwijst men naar J u s t. Apol. 1 66.

3) Uit Joh. Dam. Sacra parall.

4) Verg. Over de opstanding 1. De beide volzinnen bij Joh. Dam. in verband met een derde die voorkomt in Tryph. 82, zoodat men ook voor de beide eerste gedacht heeft aan een lacune in Fr. 74.