is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is namelijk mogelijk om de „groene" germanicus door wasschen in de „gele" serinus te veranderen (Mayr, 1. c., p. 574). Ook de in het gebergte van Palestina levende wilde kanarie, Serinus canarius syriacus Bonaparte, beschouwt men tegenwoordig als een subspecies van deze soort (Vögel pal. Fauna, Erganzungsband, 1932, p. 48).

De europeesche kanarie bewoont bij voorkeur fruittuinen, wijnbergen, vooral wanneer deze met vruchtboomen gemengd zijn, of ook kerkhoven en botanische tuinen met veel coniferen of landwegen beplant met linden, kastanje's en acacia's en gelegen in de nabijheid van rangeerterreinen of verwaarloosde bouwgronden. Want de aanwezigheid van bepaalde voedselplanten is van groot belang voor haar voorkomen. Zij voedt zich namelijk in hoofdzaak met onkruidzaden, ten deele met zaden van echte pothoofdplanten zooals kruiskruid, herderstaschje, weegbree en verschillende graszaden, verder ook met groentenzaden als sla-, radijs-, kool- en raapzaad en een enkele maal met elzen- of berken- en zelfs met dennenzaad.

In het voorjaar laat het <5 zonder ophouden een vrij kort, trillend en sissend liedje hooren, dat snel wordt voorgedragen. De lokroep klinkt als „girlitz" of „hitzriki". Tijdens het zingen zit hij graag op een boom of struik of opeen telegraafdraad en draait het lichaam voortdurend heen en weer, maar ook zingt hij wel gedurende zijn eigenaardig fladderende baltsvlucht, die aan die van den boompieper doet denken. Bij de verdediging van zijn territorium is hij buitengewoon fel en wanneer men hem langeren tijd blijft waarnemen, is het goed verstopte nest niet moeilijk te vinden, want hij bezoekt zijn broedende $ vrij geregeld en helpt ook bij het voederen der jongen. Het nest is klein, niet bepaald dikwandig, maar mooi viltig. Het wordt op allerlei soorten van hoornen gebouwd, vooral op coniferen en vruchtboomen, verder graag op acacia's, linden, kastanje's enz., soms slechts op 1.5 meter, soms veel hooger boven den grond. In de wijnbergen ook dikwijls op den top van den paal, die de wijnrank steunt. In het zuiden van haar verspreidingsgebied maakt zij 1 of 2, in noordelijker streken 2 en zelfs 3 broedsels. De 4, soms 3 of 5, eieren gelijken sterk op die van sijs en putter; zij zijn op zeer bleek blauwachtig witte grondkleur met purperkleurige en roodbruine vlekken en streepjes geteekend, vooral aan de stompe eipool. Hun gemiddelde afmetingen bedragen, volgens Jourdain, 16.17 X 11.86 mm. Voltallige legsels zijn te vinden van eind April, meest echter pas van af begin Mei, tot in Juli. Zij worden in ongeveer 10 dagen alleen door het ? uitgebroed. De kleine jongen zijn met eenig dons op kop en rug bedekt; bij het opensperren van den snavel vertoonen zij een roode keelholte, die begrensd is door gele mondhoekplooien. Naar het schijnt ontvangen zij in hoofdzaak plantaardig voedsel; hun faeces zijn althans niet door een vlies omgeven en worden, daar zij dus door de ouden niet verwijderd kunnen worden, op den nestrand gedeponeerd, welke dientengevolge langzamerhand door een harde korst van vuil wordt overtrokken. De nestholte zelf blijft evenwel schoon. Na 16 h 17 dagen zijn zij vliegvaardig.

Met een tamme ? kanarie levert de europeesche kanarie onderling vruchtbare bastaarden, in tegenstelling tot putter X kanarie-bastaarden, waarvoor dit niet geldt.

Behalve het trillende en sissende liedje is de licht gele stuit een goed veldkenmerk.