is toegevoegd aan uw favorieten.

Oud Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs gevallen dat geen van beide partijen meer trouwen wil, en dat de Kerkeraad hen toch daartoe noodzaakt. De dogmatisch correcte manier om aan dezen theologischen strop te ontkomen, bestond hierin, dat de vrijster zich tegenover ten ander liefhebber niet tot eene trouwbelofte bepaalde maar heel wat verder ging; alleen dat gaf den eersten vrijer eene orthodoxe verontschuldiging om zich terug te trekken. Het mes sneed echter ook naar den anderen kant, want als de Regeering hare toestemming <tot een huwelijk weigerde, kon de vrijster die toestemming afdwingen door haar galant te sommeeren om eene gedane trouwbelofte na te komen. Er is later een apart wetje gemaakt om dezen truc, waartegenover de Gouverneur-Generaal machteloos had gestaan, te beletten.

§1251. Van het oogenblik af, dat men het eens was geworden en de ringen had gewisseld, heette men bruid en bruidegom. Niet zelden was het bruidje piepjong, twaalf, dertien, veertien jaar, zooals reeds Franfoise de Wit, met wie de G.-G. Care! Reniersz als 46-jarig weduwnaar trouwde. Maar even dikwijls had zij al een paar echtgenooten ter aarde besteld: men stierf gauw te Batavia, vergat snel en hertrouwde met spoed. De verloving duurde maar kort en werd fluks gevolgd door den ondertrouw. Oorspronkelijk geschiedde deze uitsluitend ten overstaan van den Kerkeraad. Sedert 1632 werd echter de medewerking van Schepenen vereischt, sedert 1641 die van het naar Amsterdamsch voorbeeld opgerichte College van Huwelijksche Zaken 1). Dit zetelde op het Stadhuis. Beschikte men echter over invloed en had men er geld voor over, dan verzocht men het college de inschrijving aan huis te willen komen doen, of wel eene commissie uit zijn midden daartoe te zenden. Heeren der Regeering natuurlijk waren van elke betaling vrijgesteld. Meestal echter reed men stadhuiswaarts. Aangezien dit rijden voor deftig gold (men kon er immers best heen wandelen), moesten gewone menschen, voor wie deftigheid

1). Over dit college zie § 1483 noot. Het bestond uit Compagniesdienaren en burgers en werd in 1812 opgeheven. De bevoegdheid van het college ging toen over op den Magistraat te Batavia.