Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het goed en de eere van den naaste zonder benijding heeft te verheugen, den vollen eisch der liefde hem hierin heeft te geven, en zelf in tevredenheid en onderwerping op zijn plaats heeft te blijven in dankbare erkenning van zijn eigen deel van zijn God en van de goddelijke beschikking over hem.

In de vordering van al deze geboden Gods komt, zoo ze aandachtig overwogen worden, de veelvoudigheid der menschelijke rechten in de samenleving naar Gods ordening naar voren; en in die vordering ligt de goddelijke eisch om erkenning en voldoening dier rechten, zonder iemand iets schuldig te blijven.

Maar in die vordering treedt ook de eisch des Heeren voor mensch tegenover mensch in zijn beginsel naar voren; de eisch der naastenliefde, gelijk Gods Woord van Oud- en Nieuw-Testament die liefde als den inhoud en de vervulling van al deze geboden Gods aangegeven heeft: gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelf."

Inderdaad, in de heilighouding van den echt wordt niet slechts eigen leven bemind en de menschenliefde in haar edelsten en innigsten vorm voor eigen leven heilig gehouden, maar in de heilighouding van den echt wordt ook in liefde het leven aller menschen geërbiedigd en de verheffing van dit leven in eere en geluk gezocht en gediend. Zoo leeft de liefde voor eigen leven, gelijk voor dat der medemenschen in den diep doordringenden eisch Gods, dat we den naaste niet dooden, zijn leven niet kwetsen of krenken zullen. De liefde leeft naar haar eere en gemeenschap bij wie in het stoffelijk goed allen diefstal en alle ongerechtigheid haat en tekeer gaat. Zij draagt het merk van haar adel in wie den naaste in zijn woord een waarachtig getuigenis geeft, en daarin eigen lippen ten zegen in het menschenleven stelt. En zij viert haar triumf in het niet-begeeren wat des naasten is.

Al Gods geboden zijn één in die vordering der liefde tot den naaste. Want de liefde doet den naaste geen kwaad. Zij juist erkent ten volle, de menschelijke gemeenschapsrechten. Zij zelf is de voldoening naar Gods heiligen wil van alle recht, dat naar Gods believen mensch op mensch heeft. Zij is de vervulling der wet.

O, het menschenleven is, ook in de hoofdlijnen van Gods ordening, veelszins, zoo diep verdorven! Hoe het in Rome's rijk en in Rome zelf was, heeft de apostel in den aanvang van zijn Brief vooropgesteld. En hoe het sinds en nu is, moge al meer door ons verstaan worden in het licht des Heeren.

Maar de geloovigen te Rome mochten nochtans de menschelijke samenleving niet verwerpen. Die menschelijke samenleving was nochtans van God, en ze riep om Zijn eere. Zij lag nog in Zijn ordening,

Sluiten