Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wen, dienaar haar beenen tastten en in hun greep verlamden. Zoo werd zij binnengedragen in een kaal kamertje, waar de petroleumlucht van een kacheltje haar tegensloeg. Zij zag nog even de muren, een deur, een groenig, wit gashcht in een kleine lamp, een tafel, en een laag ijzeren bed in een hoek. Een bed met schiepsche spijlen, teruggezakt op uitgeschoven korte pooten, een bed mee een dekentje en een lakentje, tegen een vuilwitten muur die ze zag door de kromme spijlen van het hoofdeind en vlak aan 't laken tegen den zijkant. Zij was gegrepen door woorden en handen als stormwinden. Zij had toegestemd, zeker. Men pleegde geen aanslag op haar. Men hielp haar. Zeker. Rond haar vermengden zich gedempte stemmen. Zij lag neer en luisterde ernaar. Er was plotseling de stem van een vrouw tusschen. Een vrouw. Als de handen der mannen verlamden haar de oogen van deze vrouw. Wat zeggen zij rond haar? Zij hoort dit. Zij verstaat dit niet. Als zij de oogen sluit, denkt zij den nacht te zien en op haar oogleden het vloeiende vuur van sterren. Dicht aan haar oogen gloeien haar wangen als van stekeüge vlammen, die verzengend zijn. De palmen van haar handen branden. Zij voelt haar klein, gekrompen hart als een steen in de pijn van haar vleesch. Zij hoort het regelmatige, harde tikken als van een knokel op den muur. Dit is de scherpe klop van haar bloed. De vrouw is over haar gebogen mee een val van kantelende schaduwen. Het is dwaas, dat zij zich verzet met een kreet, een kreet, die de mannen en de vrouw verschrikt. Zij hoort den gesmoorden klank van een godslaste-

Sluiten